INHOUD

1. Die laatste hindernis
2. Niets te lachen
3. Een kaart van Aafje
4. Leven in de mini-manege
5. Ik krijg jou nog wel
6. Vakantiefoto's
7. In galop
8. De reuzen van Drenthe
9. Op de vlucht
10. Een reus in de trailer


1. DIE LAATSTE HINDERNIS
Achterover zitten, hakken naar beneden,” gilt Belle Grondelle door de microfoon. Mevrouw Grondelle is de eigenares van de manege. Ze wordt door de meeste kinderen tante Belle genoemd.
Tante Belle zet de muziek zachter. “Pak die teugels op. Laat hem niet naar beneden gaan met zijn hoofd.” Tante Belle heeft een licht Amerikaans accent. Haar stem klinkt luid door de microfoon.
De manegepony’s Doenja en Carol schrikken ervan. Ze stuiven even van de hoefslag af.
U heeft makkelijk praten, tante Belle, denkt Tonke. Het is hartstikke moeilijk om op Taman te blijven zit­ten als hij begint te bokken. Toch probeert ze haar gewicht naar achteren te brengen.
Voor Taman is dit een nieuwe uitdaging. Hij blijft heel even staan om adem te halen. Dan springt hij niet vier stijve benen recht omhoog. Tonke komt helemaal uit het zadel. Haar knieën zijn los. Ze heeft nog maar één voet in een stijgbeugel.
Als Taman neerkomt, wordt ze teruggekwakt in het zadel. Tonke klemt haar lippen op elkaar. Nu gaat het pas echt komen, weet ze. Taman duikt ineens met zijn hoofd naar beneden. Bokkend springt hij naar voren.
Tonke maakt een koprol door de lucht en komt op haar billen in het zand terecht. Meteen krabbelt ze weer overeind.
“Tjee, wat een rodeo,” zegt Jochem. Hij klinkt een beetje jaloers. Jochem rijdt altijd op Carol en dat is net een mak schaap.
“Ruilen?” vraagt Tonke. Ze slaat het zand van haar kleren.
Jochem schudt zijn hoofd.
“Heb je je pijn gedaan?” vraagt Nadia.
Nadia is Tonkes beste vriendin. Zij rijdt vandaag op Doenja. Meestal moet één van hen tweeën op Taman rijden. Zij zijn namelijk de besten van de groep. Nou ja, op Ellen na dan. Maar die telt niet mee, omdat zij een eigen pony heeft.
“Welnee,” zegt Tonke. Maar ze wrijft toch even over de zere plek op haar heup.
“Je moet weer trakteren,” zegt Ellen. “Het is de derde keer al deze maand dat je eraf valt. Kom nu maar met iets bijzonders. Kroketten of zo.”
Tonke steekt haar tong uit. “Wat flauw. Ik ben vege­tarisch, dat weet je heus wel. Ik trakteer op dropsleu­tels. Als je dat niet goed genoeg vindt, dan krijg je niks.”
Ellen haalt haar schouders op. Ze laat Corrado aan­draven. De schimmel heeft azuurblauwe bandages om zijn voorbenen. Hij maakt een prachtige ronde volte. Zo kan iedereen het, denkt Tonke. Papa koopt een dure Z-pony voor je. Hij steekt je in de mooiste kle­ren. Hij zorgt ook nog voor privélessen. En hup, je bent de beste van de manege.

Wiebe, de stalknecht, heeft intussen Taman gevan­gen. Niet dat er veel te vangen was. Taman stond braaf in de hoek. Dat doet hij altijd als hij zijn ruiter kwijt is. Het lijkt net of hij er voor straf heen is gestuurd.
Wiebe brengt hem naar het midden van de bak. Hij helpt Tonke met opstijgen.
“Bouw maar even wat hindernissen,” zegt tante Belle tegen Wiebe. “Je bent er nu toch.”
Ohoh, denkt Tonke, ik wil helemaal niet springen! Ze had gedacht dat de les al was afgelopen.
Tonke is behoorlijk geschrokken van haar val van Taman. Maar dat kan ze niet zeggen. Ze wil zich niet laten kennen. Zeker niet tegenover die over haar pony getilde Ellen.

Het volgende halfuur bokt Taman niet één keer.
“Zo ben je braaf,” zegt Tonke als ze over de dubbel­sprong zoeven.
Even later laat ze Taman over de hoefslag stappen. Hij krijgt de lange teugel.
Einde les, ik heb Taman weer overleefd, denkt Tonke opgelucht. Wat jammer toch van deze pony. Hij kan zo goed springen. in dressuur is hij trouwens ook een kanjer. Maar wat een rotkarakter heeft hij meegekregen.

“Bouw maar een parcoursje, Wiebe,” zegt tante Belle. Ah nee, hè, denkt Tonke.
De les is volgens de klok al lang afgelopen. Maar tante Belle houdt zich niet aan lestijden of aan de klok.
De manegelessen lopen soms wel een uur uit. Tante Belle vraagt daar geen extra geld voor. Ze is niet zakelijk, vindt Tonkes vader.
Tonke rijdt al twee jaar op de manege. Haar ouders hebben nog nooit een cent hoeven te betalen. “Ik stuur u een rekening,” zei tante Belle toen Tonkes vader na de eerste les met zijn portemonnee klaarstond. Die rekening moet nog steeds komen.

Wiebe sleept zuchtend met staanders, balken en balen stro. Na tien minuten heeft hij zes hindernissen gebouwd. De dubbelsprong telt voor één hindernis.
“Zet er nummers bij,” zegt tante Belle. “Iedereen moet hetzelfde parcours springen. Dan weet je pas wie de beste is.” Tante Belle doet alsof het een echte wedstrijd is. Ze heeft jarenlang in Amerika gewoond. Daar organiseerde ze bijna elke week een wedstrijd, heeft ze verteld.
De ruiters moeten met hun pony”s buiten de bak op hun beurt wachten. Ze kunnen het parcours wel zien vanuit de gang.
Jochem wordt als eerste binnengeroepen.
Hij laat Carol in draf over de hindernissen gaan. De derde hindernis is een sprong over twee strobalen. Daar weigert de zwarte pony.
“Geef “nl met de zweep,” roept tante Belle door de microfoon. Ze trekt opgewonden aan haar lange sigaret. Ze zoekt een nieuwe cd uit. Marsmuziek, deze keer. Tante Belle gelooft in de goede invloed van muziek op paarden. Rustige, klassieke muziek om ze te kal­ meren. Marsmuziek om ze wakker te maken. In de stallen staat de hele dag de klassieke zender op. Totdat tante Belle even weggaat. Dan rent Wiebe naar de radio om een popzender uit te zoeken. Hij mest veel liever stallen uit met housemuziek.

“Geef “m ervan langs,” roept tante Belle boven de Radetzkymars uit.
Jochem aait Carol met de zweep over zijn achter­werk. Carol begint naar achteren te lopen in plaats van naar voren.
Jochem zet zijn hakken in de buik van de pony. Ook dat helpt niet. Carol blijft achterwaarts lopen. Met zijn dikke bil­len drukt hij de tweede hindernis omver.
“Een weigering is drie strafpunten. Je krijgt er ook nog vier voor de tweede hindernis. Die heb je omver­gelopen,” zegt tante Belle. “Zeven strafpunten op de eerste drie hindernissen. Dat is niet best, jongen. Wiebe, doe er wat aan.”
Wiebe rent met een zweep achter Carol aan. De pony gaat weer naar voren. Hij springt nu direct over de strobalen heen.
“Hoe kan hij nou nog een fout op hindernis twee krij­gen?” vraagt Nadia zich af. “Hij had die toch al fout­loos gesprongen?” Ze aait Doenja over haar hals en kijkt de andere meisjes aan.
“Dat zijn nu eenmaal de regels van tante Belle,” zegt Tonke en ze trekt een gek gezicht.

Dan wordt Ellen naar binnen geroepen. Ze is in de gang op haar pony blijven zitten.
Corrado, haar prachtige schimmel, heeft al die tijd braaf stilgestaan.
Het lijkt wel een robotpony, denkt Tonke. Hij doet geen stap verkeerd. Hij is nooit vies of vals. Op stal poept hij zelfs netjes in één hoek.
Corrado springt soepel over alle zes de hindernis­sen. Dan komt hij rustig in de gang terug.
De witte ruin hijgt zelfs niet een beetje. “Vierenveertig seconden,” zegt tante Belle door de microfoon.
Ellen draait zich verontwaardigd om. “U heeft niet gezegd dat het op tijd zou gaan,” roept ze. “Anders had ik wel twee keer zo snel kunnen gaan. Nu wilde ik alleen maar foutloos rijden.”
Tante Belle hoort haar natuurlijk niet. Ze zit achter het glas en roept door de microfoon Tonke binnen.
Eindelijk heb ik de kans om van Ellen te winnen, denkt Tonke en ze rijdt de bak in. Ze klopt Taman op de hals. “Jij wilt toch ook van die stomme Ellen winnen? Laat dan maar eens zien wat je kunt.”
Taman galoppeert aan op de eerste hindernis, een stijlsprongetje. Hij springt er ruim overheen, veran­dert van galop en neemt de tweede hindernis. Twee tonnen met gekruiste balken ertussen. Dan gaan ze af op de derde, de strobalen. Ook hier springt Taman met groot gemak overheen.
“Zie je wel dat je het goed kunt?” zegt Tonke tegen het paard. “Als we zo doorgaan, dan winnen we. Ga door, Taman.”
Taman zet aan voor de dubbelsprong en springt soepel over de eerste, een galopsprong en dan over de tweede.
Tonke wil Taman aansporen voor de laatste twee hindernissen. Ze zijn veel sneller dan Ellen en Corrado. Dat weet ze zeker! Ze zet haar hakken flink in de buik van haar paard.
Dat roept bij Taman verzet op. De vijfde hindernis springt hij nog met stijve benen. Maar net voor de laatste sprong, een oxer met veel balken, staat hij ineens stil.
Tonke wordt voorovergegooid. Ze klampt zich vast aan de hals van haar paard.
Taman duikt met zijn hoofd naar beneden. Hij bokt vreselijk hoog.
Tonke wordt met een grote boog naar voren gesmeten. Ohoh, denkt Tonke nog als ze door de lucht vliegt.
Ze hoort een doffe bonk en daarna knapt er iets. Een scherpe pijn in haar rug. Dan voelt ze niets meer. Ze is bewusteloos.


2. NIETS TE LACHEN
Tonke drukt op het belletje naast haar bed. Ze hoort haar moeder de trap oprennen.
“Nou zeg, je hoeft toch niet elke seconde te bellen? Je hebt meer aandacht nodig dan toen je een baby was. Ik heb ook mijn eigen dingen, hoor. Nou, wat is er nu weer?” Moeder is nog buiten adem van het traplopen.
Tonke is beledigd. Ze heeft haar moeder het afge- lopen uur pas drie keer laten komen.
Eén keer omdat ze het te warm had. Het is buiten snikheet en ze had wel twee dekens op bed. Eén zo”n ziekenhuisdeken is echt wel genoeg!
En een keer omdat ze dorst had. Logisch met die hitte. En een keer omdat ze het idee had dat haar teen had bewogen! Het is een teken van vooruitgang als je die weer kunt bewegen, heeft de dokter gezegd. Maar zelf kan ze haar tenen niet zien met de dekenboog over haar voeten.
“Ik moet plassen,” zegt Tonke. “En ik bel alleen als het echt nodig is. Maar als het niet uitkomt, ga dan maar weer. Ik hou het wel op. Het maakt niet uit of mijn blaas knapt.”
“Hou toch op met je gezeur. Ik zou zo met je willen ruilen, hoor. Heerlijk, de hele dag in bed.”
“Nou, ik zou ook met jou willen ruilen, hoor. Het lijkt mij toevallig heerlijk om te kunnen lopen. Of om alleen maar te kunnen zitten. Of te fietsen of te zwemmen. Of paard te rijden.”
“Paardrijden? Ben je gestoord of zo? Jij komt nooit meer op een paard. Dat beest heeft je bijna de dood ingejaagd.”
Tonke zegt maar even niks meer.
Het ongeluk is al weer bijna zes weken geleden. Wat er direct daarna is gebeurd, kan ze zich niet herinne­ren. Ze is natuurlijk met een ambulance naar het zie­kenhuis gegaan. Met spoed geopereerd.
Haar tweede lendenwervel bleek verbrijzeld te zijn. Ze hebben een botje uit haar heup gehaald om de zaak vast te zetten. Daar heeft ze dus een litteken. Ze had verder overal butsen, builen en blauwe plekken.
Vier weken heeft ze in een gipsen corset gelegen. Ze had ook nog een hersenschudding, dus ze moest heel rustig met haar hoofd doen.\
Nu zijn de butsen en builen verdwenen. Het gipsen corset is vervangen door een corset van kunststof.
Van de hersenschudding heeft ze nog steeds last. De hele dag door heeft ze hoofdpijn, maar het wordt al iets minder als ze zich rustig houdt. Ze kan zich alleen nog niet goed concentreren.

Het ergste is dat ze verlamd is.
“Tijdelijk, hoor,” zei de neurochirurg van het zie­kenhuis. “Langzamerhand komt het gevoel in je benen weer terug. Je moet geduld hebben.”
Tonke heeft geen geduld. Ze wil weer normaal kunnen zitten. Zelf onder de douche gaan in plaats van gewassen te worden door haar moeder. Zelf naar de wc gaan in plaats van op die vervelende steek. Zelf kunnen lopen, rennen, paardrijden!
Natuurlijk gaat ze weer paardrijden als ze beter is. Maar dat zegt ze nog niet tegen haar moeder. Tegen de tijd dat ze weer alles kan, is het vroeg genoeg om met haar moeder over paardrijden ruzie te maken. En dat wordt zeker na de vakantie.
Shit, het is vakantie, iedereen heeft vakantie.
Ellen gaat met haar pony Corrado naar Portugal, op paardentrait. Twee weken trekken door spannende, wilde gebieden. Niet met een rugzak en een tent hoor, zij niet. Geslapen wordt er in luxe hotels en haar bagage wordt achter haar aan gebracht.
Corrado wordt per vliegtuig vervoerd, onbetaalbaar volgens Nadia. Duizenden euro's!
Ellen is in het ziekenhuis op bezoek geweest. Ze had een leuke binnenkomer, maar niet heus. “Nu hebben we nog twee keer trakteren van je te goed, haha.”
“Hier, je mag m”n ziekenhuiseten wel hebben,” had Tonke gezegd en ze had haar bordje met afgekloven fruit aan Ellen gegeven.
Ellen had geschrokken een stap terug gedaan. “Het was maar een grapje, hoor.” Ze had een enorm cadeau voor Tonke meegeno­men: een paardentrailer voor in haar mini-manege.
Al kwam het cadeau van stomme Ellen, toch was Tonke er blij mee geweest. Ze had wel haar oren dichtgestopt toen Ellen over Portugal begon op te scheppen.
Arme Corrado, had ze gedacht. Alleen om Ellen een plezier te doen, moet hij helemaal in zijn eentje met het vliegtuig mee. En daarna moet hij zich twee weken de blubbers lopen. Dat is toch geen vakantie voor een pony!
Ellen verdient die pony gewoon niet. Ze is veel te veel verwend door die rijke vader van haar en ze heeft nooit geleerd aardig voor dieren te zijn. Krijgt Corrado ooit een appeltje na de les? Nee. Wortels? Nooit! Suikerklontjes? Ben je gek geworden!
“Ik houd niet van bedelaars,” zegt Ellen als Tonke of Nadia hun pony”s na de les iets lekkers toestoppen.
Nadia is elke dag in het ziekenhuis op bezoek geweest en nu komt ze bijna elke middag wel even langs. Maar haar vriendin gaat binnenkort ook op vakantie. Ze mag naar ponykamp.
En zij, Tonke? Zij ligt de hele vakantie op bed.

Tonke zapt al een paar minuten alle kanalen door. Herhaalde herhalingen, denkt ze. Bah.
Tonke kijkt normaal bijna nooit tv. Na school speelt ze altijd even met Duimelot, hun katje. Soms leest ze een paardenboek. Het laatste heette “Barrage”. Dat vond ze mooi. Maar de paarden in het boek waren een stuk minder wild dan Taman.
“De pony”s van de manege lopen te weinig,” had Wiebe gezegd toen hij in het ziekenhuis op bezoek was. “Taman loopt misschien maar twee keer per week. Tante Belle heeft gewoon te veel pony”s voor het aantal klanten. Ze moet er een paar verkopen.”
Lezen gaat moeilijk. Eerst moet het bed omhoog komen, zodat ze kan zitten. Daar is een speciale knop voor. Dan moet ze het eettafeltje over het bed schuiven en het boek erop leggen. Het boek ligt natuurlijk onder het bed, of aan het voeteneind. Dus moet ze eerst haar moeder bellen om het boek te pakken. Die wordt dan kwaad, dus volgt er een ruzie van tien minuten. Over waarvoor ze wel en waarvoor ze niet mag bellen.
En als ze dan eindelijk kan gaan lezen, is ze moe. De letters dansen voor haar ogen en haar hoofd begint pijn te doen.
“Dat wordt heus wel beter,” heeft de verpleegster in het ziekenhuis beloofd. “Over een paar weken heb je geen last meer van je hersenschudding.”
Werk voor school maken kan niet omdat het vakantie is. En laat ze daar nu net zin in hebben! Zelfs een staartdeling lijkt haar het einde.
De meester kan niet langskomen om haar sommen te brengen. Hij gaat naar Frankrijk op vakantie, met de tent en zijn nieuwe vriend.
Ze is benieuwd of ze de kaart krijgt die hij heeft beloofd. Hoeveel kaarten heeft ze nu bij elkaar gekregen? Vierenzestig.
Hoeveel paardenhoofden staan er op het behang? Eh, zeshonderd tweeëntachtig, maar het kunnen er ook vijfhonderd achtennegentig zijn. Dat telde ze de laatste keer.
Elke keer als ze ze probeert te tellen, is er een andere uitkomst. En meer hoofdpijn.
Eergisteren heeft ze zoveel mogelijk titels van lied­jes bedacht. Ze kwam op zesentwintig, die ze uit haar hoofd achter elkaar kon opzeggen.
Maar niemand wilde ze allemaal horen. Ze wilde ze ook niet eens meer opzeggen, want ze had al weer pijn in haar hoofd.
Gisteren heeft ze de hele ochtend gehuild. Ook daar kreeg ze hoofdpijn van. Tonke kan dus gerust zeggen dat ze hoofdpijn krijgt van alles en iedereen.
In het ziekenhuis is haar ook voorspeld dat ze hoofdpijn zou krijgen als ze hard zou lachen. Gelukkig hoeft ze daar niet bang voor te zijn. Er valt echt niets te lachen.

3. EEN KAART VAN AAFJE
Tonke draait haar hoofd heel voorzichtig om.  Maar weer even naar links kijken voor de veran­dering, denkt ze. Ah, uitzicht op het raam! Helaas kan ze niets zien van wat er buiten gebeurt. Ze kan niet zien hoe Duimelot bijna elke dag een keer de boom inklautert.
Duimelot is vier maanden oud. Het is een siamees. Lichtbeige van vacht met bruine uiteinden aan de staart, de poten en de oren.
Duimelot is op ontdekkingsreis. Dus klimt hij steeds in de oude eik voor hun huis. Daar, boven in de boom, kan hij de wereld goed overzien. Als hij klaar is met zijn reis, ontdekt hij pas dat hij niet naar beneden durft.
Tonke haalde hem altijd graag uit de boom. Spannend vond ze dat.
Nu moet Tonkes moeder hem eruit halen met de grote ladder, en zij heeft hoogtevrees.
Tonke kan alleen maar raden wat zich dan afspeelt. Hoe haar moeder met trillende knieën naar boven klimt en Duimelot van een tak afplukt.
Dat ze boos tegen hem zegt: “Foei, je bent heel stout. Je weet toch dat je niet uit de boom durft te klimmen? Ga er dan ook niet in!”
Nee, niets van dit alles kan Tonke vanuit haar bed zien.
Het enige dat zij wel kan zien is de blauwe lucht en een vogelpoepje op de ruiten.

De hele vakantie in bed, denkt Tonke ongelukkig. En misschien wel veel langer! Daar is toch niet doorheen te komen voor iemand zoals zij?
Normaal is ze altijd in beweging. 's Morgens om zes uur springt ze meestal al uit bed. Het eerste dat ze doet is Duimelot te eten geven. Hij slaapt, nee sliep, altijd op haar kamer.
Dat mag nu niet meer. Als Duimelot onder de dekens kruipt, kan ze hem niet pakken. Hij zou kunnen stikken zonder dat zij er iets aan kan doen. Maar goed, daar had ze het nu niet over. Ze had het over het begin van de dag.
Oké, eerst krijgt Duimelot zijn brokjes. Dan maakt ze ontbijt klaar voor pap, mam en Marcel, haar grote broer. Pap is de eerste die beneden komt. Met zijn ogen nog halfdicht drinkt hij sterke, zwarte koffie. Die heeft Tonke speciaal voor hem gezet. De anderen drinken “s morgens thee.
Dan verdwijnt pap onder de douche. Een paar minuten later komt Marcel de keuken in. Hij werkt minstens drie borden cornflakes naar bin­nen. Zelfs voor een puber eet hij idioot veel. Dat vin­den pap en mam tenminste. Maar Marcel doet veel aan sport. Hij is geen gram te zwaar.
Een nerveuze jongen, noemt de dokter hem. Nerveuze mensen verbranden veel, zegt ze. Haar, Tonke, vindt ze eerder een levendig kind.
Hun dokter is de ene keer dik, de andere keer dun. Toen ze een paar dagen geleden op visite kwam, was de dokter topzwaar.
“Ik moet een dieet adviseren,” had ze tegen moeder gezegd. “Tonke verbruikt helemaal geen energie als ze in bed ligt.” Als zijzelf niet kan snoepen, mag ik het ook niet, had Tonke gedacht, maar ze had dit maar niet gezegd.
Wat ze wel mag eten volgens de dokter? Een boterham met pindakaas “s morgens. 's Mid­dags een boterham met kaas. Een gewone warme hap “s avonds met de anderen mee. Geen frisdrank, geen snoep. Wel fruit, maar geen bananen.
Hoe kan ze nou zo lang zonder bananen? Zonder chocopasta of vlokken op haar brood? Zonder ijs met slagroom, marsen, twixen, brosrepen, melkrepen, witte repen en drop? Wat? Ook geen drop meer?
“Nee, zeker geen drop, Tonke. Veel te zout. We moeten uitkijken dat je geen vocht vasthoudt, al die tijd dat je in bed ligt.”
Geen drop meer! Geen katjes, munten, veters, biel­zen, sleutels.
IJ kunt me net zo goed gelijk doodschieten,” had Tonke gezegd. Dat had de dokter een heel rare opmerking gevon­den.
“Wat zijn nou een paar maanden op een heel leven?” had ze gezegd.
“Wat maakt een beetje te dik of te veel vocht nou uit?” had Tonke gevraagd. “Ik heb toch nog een heel leven voor me om daar weer van af te komen?”
De dokter was beledigd weggelopen. Ze zou pas weer terugkomen als Tonke normaal kon reageren. Ze had wel iets beters te doen dan brutale patiënten aan te horen.
Nou, Tonke niet. Tonke heeft niets beters te doen dan brutaal te zijn. Ze heeft verder helemaal niets te doen. Ze kán helemaal niets doen!
“Leer dan breien of borduren,” had Marcel gisteren gezegd, toen ze erover klaagde. “Borduur een kussen met een paardenhoofd of zo. Dan ben je wel een jaar onder de pannen.”
Tonke was boos geworden. “En leer jij je band maar eens zelf plakken,” had ze pinnig gereageerd. Tonke is de enige van het gezin die fietsbanden kan plakken. Ze plakt ze van Marcel en ook die van pap. Haar moeder heeft geen fiets, die doet alles met de auto.
Marcel komt elke dag een kwartiertje bij haar zitten. Dat is toch aardig van hem, ook al moet hij van mam.
Hij praat dan alleen maar over zichzelf. Over wat hij op school heeft uitgevreten. Hij schijnt daar zo stoer te zijn! Een grote mond tegen de conrector. Een groot gevecht met een jongen uit de examenklas. Nou, voor een brugpieper is hij echt berestoer, hoor!
Tonke gelooft natuurlijk niets van zijn verhalen. Maar ze kan nu bij niemand navragen of hij liegt. Dus moet ze alles slikken wat hij zegt.
En zelf heeft ze niets te vertellen. Er gebeurt hele­maal niets in bed.
Spelen kan ook niet. Normaal speelt ze altijd met haar mini-manege. Maar je kunt niet met speelgoed­paarden spelen als je plat in bed ligt.
Of kan dat wel?

In de hoek van haar kamer staat een complete mini­manege. Voor de paarden is er een weiland met hekken eromheen. Elk paard heeft een eigen box. Er is ook een spuitplaats met een tuinslang. Een zadelkamer en een hooiberg. En natuurlijk een bui­tenbak. Daar kunnen ze hindernissen neerzetten.
De manege is een uit de hand gelopen sinterklaas­surprise van pap en Marcel geweest. Marcel had de manege gefiguurzaagd. Papa had de hele zaak geschilderd.
Het cadeautje dat bij de surprise hoorde, mocht ze uit de hooiberg plukken. Daar waren twee poppen in verstopt.
Tonke was heel blij met de manege. Blijer nog dan met de poppen, want ze heeft er al veel. Ze heeft toen ook een speelgoedsportwagen gekre­gen, waar ze heel blij mee was.
Er is nu trouwens ook een rijtuig voor de speel­goedpaarden te koop in de winkel, weet Tonke. Misschien een cadeau omdat ze zo zielig is? Het is wel heel duur! Zouden opa en oma niet snel weer op bezoek komen?
Tonke heeft een manege vol prachtige paarden. Sommige zijn van stof, de meeste van plastic. Zoals de schimmel Quickstep en Kiko, de zwart­bonte, of de Appaloosa Dexter. En niet te vergeten de kastanjebruine Marron.
Marron is van Shanna, die van een nieuwe serie poppen komt. Het leuke is dat je alles aan haar kunt buigen. De oude poppen hebben stijve benen. Die kunnen niet goed op een paardenrug worden gezet.
Samen met Nadia speelt Tonke vaak manegetje.
Nadia neemt meestal een of twee speelgoedpaarden en poppen van haarzelf mee. Eerst overleggen ze welkepoppen in de les mogen meedoen. Vervolgens verdelen ze de paarden.
Elke keer moeten de poppen op een ander paard. Dan leren ze beter rijden. Shanna, bijvoorbeeld, wil altijd op Marron. Ze is bang voor de andere paarden. Maar daar zijn Nadia en Tonke niet zo voor.
Shanna kan alleen over haar angst heen komen als ze leert dat andere paarden ook braaf zijn.
De mannenpop Brad mag wel altijd op de Friese hengst Oedse. Hij is zwaar en heeft een sterk paard nodig.
Zack geeft les. Zack is de tweelingbroer van Brad. Ze zijn precies hetzelfde; alleen, Brad heeft een baard.
Als Shanna in de les is, dan mogen de jongenspop­pen Timmy en Jimmy ook meerijden.
Tonke en Nadia halen de paarden dan van stal. Ze worden vastgezet aan het hek van de buitenmanege. De poppen moeten dan hun paarden poetsen en opzadelen.
Meestal mogen de kinderen alleen dressuur rijden. Ze zijn nog niet goed genoeg om te kunnen springen. Cavaletti lopen mag wel. Dan leggen Tonke en Nadia vier balken achter elkaar in de buitenbak. De paarden moeten erover­heen draven.
Jimmy valt heel vaak van zijn paard af. Het maakt niet uit op welk paard je hem zet. Hij is gewoon heel wild. Maar hij heeft nog nooit wat gebroken. Hij kan goed vallen, want hij zit op judo. Samen met Timmy.

Hè, verdorie, denkt Tonke ineens. Shanna en Marron liggen in de buitenbak op hun zij. Ze zijn omgevallen. Dat is heel vervelend. Ze drukt op het belletje.
Haar moeder komt er al snel aan. “Wat is er? Moet je alweer plassen?”
“Nee, je moet Shanna en Marron even rechtop zet­ten. Ze zijn omgevallen in de buitenbak.”
Haar moeder kijkt zwaar beledigd. “Shanna en Marron rechtop zetten? Voel jij je wel lekker? Je roept me toch niet omdat er een speelgoed­paard is omgevallen? Vanmiddag komt Nadia. Vraag haar maar of ze je speelgoedpaard rechtop wil zetten. Ik ga de was nu ophangen. De echte was!”
Haar moeder rent de kamer uit. Even later komt ze terug. “0 ja, er is post voor je. Een kaart uit Drente.”
Tonke grist de kaart uit haar moeders handen. Het is een ansicht met allemaal fotootjes van paarden. Een Belgisch trekpaard voor een grote huifkar. Een bonte pony voor een open wagentje en een Fjord voor een kar. Achterop staat: “We missen je echt. Het is hartstik­ke leuk. Volgend jaar gaan we weer. Hopelijk kun je dan wel mee. Veel liefs en beterschap van tante Merel en oom Klaas.” En daaronder de woorden: “brief volgt” en kruisjes van Aafje, haar nichtje. Ernaast een getekend zonnetje van ene Bianca. Het meisje dat haar plaats heeft ingenomen op de huifkartocht!

Een paar maanden geleden hebben tante Merel en oom Klaas haar gevraagd of ze mee wilde op huifkar-tocht. Zij hadden namelijk geen verstand van paar­den.
Tonke wel, dus… En ze kon goed opschieten met Aafje die, net als zij, tien is, dus…
Natuurlijk wilde Tonke mee. Spannend, een huif­kartocht!
Maar dat is dus niet doorgegaan door haar ongeluk. Anders had ze nu op de bok gezeten in plaats van op haar bed gelegen. Dan had ze de blauwe lucht recht boven zich gehad en dan had ze de zon op haar arm voelen branden.
Het schijnt wel dertig graden te zijn buiten. Nou, binnen is het wel zestig graden.
Nu hebben tante Merel en oom. Klaas een vriendin van Aafje mee gevraagd. Gut, wat fijn voor dat meisje! Bianca heeft ook verstand van paarden, heeft tante Merel al eerder geschreven, want Bianca rijdt op een manege.Wat fijn toch voor Bianca dat ze zoveel paarden­verstand heeft! Hoe lang rijdt ze al op de manege? Heeft ze wel eens een paard gepoetst? Of een stal uitgemest? Leest ze ook elk boek in de bibliotheek dat iets met paarden te maken heeft?
Tonke gooit de kaart van het bed af. Ze hoeft niets te weten van de leuke vakantie van Aafje en Bianca. Een brief van Aafje hoeft ze ook niet. Wat heeft ze nou aan een brief? Wanneer komt Nadia nou eens”? Is het nog niet één uur?
Als haar vriendin er straks is, dan gaan ze met de manege spelen, besluit Tonke. Ze kunnen samen ver­zinnen wat er gebeurt en Nadia kan de poppen bewe­gen. Voortaan speelt ze alleen nog maar manegetje. De mini-manege is Tonkes wereld, die kan ze tenminste zien. Wat er in de buitenwereld gebeurt, weet ze alleen maar van horen zeggen of eh… schrijven. Ze kunnen haar wel van alles op de mouw spelden. Ze kan toch niet met haar eigen ogen zien of het allemaal klopt. Nee, ze wil niets meer horen over die stomme bui­tenwereld, ze heeft haar eigen wereld!

4. LEVEN IN DE MINI-MANEGE
Tonke kijkt peinzend naar de manege. Ze verzint

1 alvast wie er straks in de les mogen rijden. Dan kunnen ze direct beginnen als Nadia er zo meteen is.

Dan mag eh… Kelly weer eens in de les rijden. Maar niet in de buitenbak. Daar liggen Shanna en Marron nog steeds op hun zij.

Kelly mag buiten rijden, samen met Brad. Nee, samen met Zack.

Zack is nu op Kelly, want Kelly is de nieuwste pop. Ze heeft prachtige, lange, blonde haren. Ze kreeg haar van haar klas. Ze heeft ook kleren voor Kelly gekregen. Rijkleding natuurlijk, maar ook strandkle­ding en een baljurk!

Gelukkig passen die kleren ook op alle andere pop­pen, want Tonke vindt zo”n baljurk niets voor Kelly.

Als Kelly met Zack naar een feestje gaat, dan doet ze gewoon een spijkerbroek en een leuk T-shirt aan.

Voordat ze Kelly had, was Zack op Brenda. Maar Tonke heeft Brenda een paar keer mee in bad geno­men en nu mist ze nogal wat haren op haar voor­hoofd. Ze is dus niet meer zo mooi. Tonke tuurt naar haar manege. Waar is Kelly?

0, ze zit in de sportwagen. Die staat voor de stal­len, naast de trailer.

Brenda zit naast Kelly in de auto. Nee, Brenda mag niet mee. Kelly en Zack gaan samen naar buiten. Dan kunnen ze misschien een keer zoenen.

Tonke en Nadia laten de poppen nooit zoenen als de andere poppen het kunnen zien. Dan worden zij

jaloers.

Welke paarden geeft ze mee aan Kelly en Zack? Zack rijdt natuurlijk op Oedse, de grote Fries en

Kelly…

Tonke kijkt even in de wei, waar de paarden staan. Kelly mag op… eh ze mag op…

Tonke bekijkt alle paarden en denkt diep na, ze

denkt heel diep na.

Zal ze haar Quickstep geven?

Nee, dat is niet zo”ngoede combinatie. Kelly heeft heel lang, blond haar en Quickstep is een schimmel. Dat is niet mooi bij elkaar.

Trouwens, Quickstep loopt een beetje vreemd. Zou hij kreupel zijn of heeft hij zich alleen maar even ver‑

stapt?

Tonke knijpt haar ogen samen om Quickstep beter te kunnen zien. Is hij nou kreupel of niet?

Ze tuurt en probeert met haar blik de manege en het weiland naar zich toe te trekken, om alles beter te

kunnen zien.

Ze trekt de manege naar zich toe, ze trekt de mane‑

ge naar zich toe…

Ineens kijkt Tonke niet meer naar de wei. Ze is in de

wei.

Het gras is zacht onder haar voeten. Het ruikt ook echt naar gras. Heeft het net geregend?

Vlak bij Tonke staat Quickstep te grazen. Ze loopt

naar hem toe. De schimmel heft even zijn hoofd op en gaat dan door niet grazen.

“Doe eens een paar stappen,” zegt Tonke.

Quickstep loopt even weg en komt dan terug. Hij snuffelt aan Tonkes handen. Gelukkig is hij niet kreu­pel, denkt Tonke.

Het is ook zo moeilijk te zien vanaf het bed. Maar wat stom dat ze niets lekkers bij zich heeft. Ze voelt de zachte lippen van Quickstep op haar hand. Hij likt haar tussen haar vingers.

Tonke streelt de schimmel over zijn mooie hoofd en gaat dichter bij hem staan.

Nu ruikt ze hem ook. Hij ruikt naar paard in de zon en het weiland ruikt naar gemaaid gras.

Wat heeft ze die geuren gemist! In bed ruikt ze alleen maar wasmiddel, haar eigen zweet enpinda- kaas, fruit en warm eten.

Tonke gaat de wei uit en loopt naar de manege toe.

Ik hoop maar dat ik hier even kan blijven, denkt ze. Wat heerlijk om weer te kunnen bewegen. Ik haal een halster en wat paardensnoepjes. Dan pak ik Dexter uit de wei en dan laat ik Kelly op Dexter rijden.

In de zadelkamer vindt Tonke wat ze zoekt. Een voerbak met biks en de halsters van dep aarden.

Ze gaat weer terug naar de wei.

Brenda loopt een meter of tien voor haar.

“Jij mag morgen weer rijden,” roept Tonke. “Ga maar in de auto zitten.”

Brenda schijnt haar niet te horen. Ze loopt naar Satan, de Arabische hengst.

“Niet in de buurt van Satan komen, hoor Brenda. Hij is veel te gevaarlijk,” zegt Tonke. Brenda haalt

haar schouders op en loopt toch naar Satan.

Jeetje, wat is die eigenwijs, denkt Tonke. Satan is

echt niet te vertrouwen. Als klein veulentje is hij mis­handeld. Daarom vertrouwt hij nu niemand meer. Alleen Nadia en zij mogen hem aanraken.

Brenda doet Satan het halster om. Dat gaat nog

goed.

Ze wil hem meenemen, de wei uit.

Daar begint het gedonder al. Satan steigert hoog.

Hij trekt Brenda zo van de grond.

“Laat hem maar los, Brenda. Ik kom er al aan,” zegt

Tonke. Ze rent naar Brenda toe.

Brenda begint aan Satans halster te trekken.

“Kom mee, jongen,” zegt ze. “Ik ben heus niet bang

voor je.”

Maar Satan blijft stilstaan. Hij weigert een voet te

verzetten.

Brenda geeft hem met het halstertouw een tik tegen

zijn achterwerk.

“Niet doen,” wil Tonke nog zeggen, maar ze is te

laat.

Satan steigert nog een keer, maar nu veel hoger dan

de eerste keer. Met zijn voorhoeven maait hij door de

lucht.

Brenda moet wegspringen om zijn hoeven te ont-

wijken. Als ze op de grond komt, struikelt ze. Satan galoppeert weg, maar komt dan terugdraven. Hij kijkt

naar Brenda en ontbloot zijn tanden.

Brenda roept angstig: “Haal die knol weg. Help, ik

heb mijn enkel verstuikt.”

Tonke loopt naar Satan toe.

Hij wordt direct rustig als zij hem vastpakt. Voorzichtig doet ze hem het halster af. Ze klopt hem op de hals en zegt: “Rustig maar, hoor Satan. Je bent braaf Ga maar lekker spelen in het weiland. Jij hoeft niets te doen.”

Satan blijft nog even bij Tonke staan. Hij kijkt Brenda zuur aan. Als hij merkt dat Tonke verder niets van hem wil, gaat hij rustig grazen.

Tonke loopt naar Brenda toe. “Ik help je wel het weiland uit. Kun je opstaan?”

Brenda staat op één been op. Ze steunt een beetje op Tonke en hinkelt het weiland uit.

“Eh, de verbanddoos staat in de zadelkamer,” zegt Tonke als ze bij de manege zijn aangekomen. “Ga hier maar even op de stoel zitten.”

Brenda gaat met een pijnlijk gezicht op de stoel zitten.

Tonke verbindt de enkel van Brenda en zegt: “Wat jammer. Nu kun je niet paardrijden.”

Brenda kijkt haar boos aan. “Ik mocht toch hele­maal niet rijden”? Wat ontzettend flauw om Kelly met Zack te laten buitenrijden. Je weet toch dat ik op Zack ben”? Waarom doe je zo gemeen?”

Tonke wist helemaal niet dat Brenda op Zack was. Ze wist alleen dat Zack op Brenda is geweest. Omdat Nadia en zij dat zo hadden bedacht!

“Eh, is Kelly ook op Zack?” vraagt ze.

“Ja natuurlijk. Iedereen is hier op Zack. Ze probe­ren hem allemaal van mij af te pakken.”

“0.”

Tonke vindt dat Brenda wel erg overdreven reageert. Een simpel buitenritje van Kelly en Zack, wat maakt dat nou uit?

“Tonke, hé Tonke. Hallo, contact. Ik heb wat voor je meegenomen.”

Tonke heeft het idee dat ze naar buiten wordt gezo­gen. Alsof ze uit een diepe slaap ontwaakt, maar toch anders. Ze schudt haar hoofd even. Nee, hoofdpijn heeft ze gelukkig niet.

Dan pas ziet ze Nadia naast het bed staan.

“0, hoi Nadia. Ik geloof dat ik net heb liggen pit­ten,” zegt ze.

Nadia legt een stapel boeken naast Tonkes bed.

ijk ga je voorlezen. Ik heb een paar griezelboeken meegenomen. Leuk?”

“Nee,” zegt Tonke beslist. “Ik wil niet meer voorge­lezen worden. Ik wil geen tv kijken. Ik wil niets horen over de buitenwereld. Laten we met de manege spelen.”

“Maar hoe dan? Jij kunt toch niet uit bed?”

“We kunnen toch samen overleggen? Jij kunt de paarden en de poppen bewegen. Ik heb het net in m”n eentje gedaan. Leuk joh.”

“Wat heb je in je eentje gedaan?” Nadia loopt naar de bak toe. Ze zet Shanna en Marron overeind.

“Nou, gespeeld met de manege,” zegt Tonke. “In m”n hoofd. Kelly mag buiten rijden met Zack. Kelly mag op Dexter en Zack op de Fries.”

“Oké,” zegt Nadia en ze gaat bij de manege op de

grond zitten.

“Hé, Brenda heeft verband om haar enkel. Wat is er met haargebeurd? Heb je met iemand anders gespeeld?” vraagt Nadia.

“Ze heeft haar enkel toch verstuikt toen ze zo stom was om Satan…?” zegt Tonke en dan schrikt ze.

Hoe kan Brenda”s enkel nou in het verband zitten”? Ze heeft met niemand anders met de paarden gespeeld. Ze heeft alleen over de manege gefanta­seerd, toch?

Ach, misschien zat Brenda”s enkel al lang in het verband. Dat heeft Nadia de vorige keer natuurlijk gedaan. Ze is het gewoon vergeten.

Er worden zo vaak gewonden verzorgd op de manege. Paardrijden is best een gevaarlijke sport.

Nadia is het voorval al weer vergeten. Ze zet Dexter en de Fries aan het hek van de buitenbak. Ze heeft Marron op stal gezet.

Shanna mag nu in de sportwagen zitten, naast Brenda.

“Niet rijden hoor, je bent nog veel te jong,” zegt Nadia tegen de pop.

Al snel heeft Nadia de paarden gezadeld.

“Dexter moet nog worden aangesingeld,” zegt Tonke.

Nadia doet het meteen.

Tonke kan even niets bedenken wat ze Nadia kan laten doen. Daarom vraagt ze: “Wist jij dat iedereen op Zack was?”

“Hoe bedoel je iedereen?”

“Nou, Kelly en Brenda. Misschien Shanna ook, al

is ze nog erg jong.”

“Nee hoor. Kelly is op Zack en Brenda en Shanna zijn allebei op Brad. Dat hadden we toch afgespro­ken?”

“Alsof wij dat voor het zeggen hebben. Brenda heeft het me zelf verteld. Ze zijn allemaal op Zack. Omdat hij instructeur is natuurlijk.”

Nadia drukt de poppen op de paarden en zet ze op het pad naast de buitenbak.

Dat is de weg naar het bos.

“Je kunt helemaal niet met poppen praten,” zegt Nadia.

“Ik wel. Ik heb net met de poppen gepraat. Met Brenda. En als jij weg bent, ga ik met Kelly praten.”

Nadia springt op en grist haar rugzakje van de stoel.

“Ga jij maar lekker met je poppen praten, hoor. Ik kom niet meer. Je bent de laatste tijd helemaal niet aardig tegen mij. Jij weet alles beter. Ik kom te vroeg of te laat. De boeken die ik voorlees zijn niet goed. En nu praten de poppen ook al tegen je. Je zoekt het verder maar zonder mij uit.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5. IK KRIJG JOU NOG WEL

Nadia wil de deur uit lopen. “Sorry; roept Tonke. “Sorry, Nadia. Ga alsje­blieft niet weg. Het is zo afschuwelijk om maar in

bed te liggen en niets te kunnen doen. Ik, eh, ik fanta­seer af en toe maar wat, omdat…”

Tonke krijgt tranen in haar ogen. Als Nadia nu ook nog weggaat, heeft ze niemand meer!

Nadia gaat weer bij de manege zitten.

“Nou, hoe spelen we verder?” vraagt ze alsof er niets gebeurd is.

lij mag het zeggen,” zegt Tonke en met een zak­doek veegt ze de tranen uit haar ogen.

“Oké.”

Nadia zet hindernissen in de buitenbak.

“Ik vind dat Timmy en Jimmy wel eens mogen leren springen,” zegt ze. “Het is jammer dat ik mijn jongenspop niet bij me heb. Die moet morgen dan maar een privé-springles krijgen.”

“Zijn ze al aan springen toe, vind je?”

“Ja,” zegt Nadia. “Ze hebben al meer dan een jaar lang les.”

“Mag Shanna ook meedoen?”

“Nee,” zegt Nadia. “Die is de vorige keer in de bui­tenbak gevallen. Gelukkig is ze niet gewond. Maar nu is Shanna ook bang voor Marron. Ze durft helemaal niet meer paard te rijden.”

“Wat nu?” vraagt Tonke.

“We nemen haar straks aan de longe,” zegt Nadia. “op Quickstep, die doet geen pas verkeerd. Dan krijgt Shanna weer vertrouwen.”

“Oké,” zegt Tonke.

Ze kijkt hoe Nadia de paarden zadelt voor Timmy en Jimmy.

Daarna drukt Nadia de poppen op de paarden. Ze beweegt ze door de bak.

Eerst moeten de paarden over de hoefslag stappen en draven. Zo worden ze warm. Daarna moeten ze over gekleurde balken draven. Even later mogen ze over een hindernis springen.

Nadia zet ze veel te langzaam hoger naar Tonkes zin.

Tonke begint zich aardig op te winden in bed. Ze vindt er eigenlijk niets aan, aan deze duffe springles van Timmy en Jimmy.

Voor Nadia is het misschien nog wel leuk. Zij mag de paarden bewegen. Maar vanuit bed valt er niet veel te zien.

“Vind je niet dat Jimmy er een keer moet afvallen?” vraagt ze aan Nadia. “Kik° kan heel wild zijn. Hij gaat zo meteen heel smerig bokken, denk je niet? En dan valt Jimmy van Kiko af en dan gaat Timmy erop en die valt er ook af.”

“Kiko bokt helemaal niet,” zegt Nadia. “Hij is juist rustig. Daarom mag Jimmy op hem. Van andere paar­den valt hij altijd af, maar van Kiko niet.”

Tonke schudt wild met haar hoofd. Dat doet pijn,

maar daar trekt ze zich niets van aan. Er moet iets gebeuren met een van haar poppen.

“Oké, nou, dan valt Timmy toch. Midden in de hin­dernis. En dan moet hij met de ambulance naar het ziekenhuis. Omdat hij zijn rug heeft gebroken.”

“We hebben geen ambulance,” zegt Nadia.

“Dan gebruiken we de trailer toch?”

Maar dat vindt Nadia te onecht.

Tonke ligt met klamme handen in bed. Waarom kan ze verdorie niet echt meedoen? Waarom zit ze gevangen in haar bed?

Nadia geeft nieuwe instructies aan de ruiterpoppen.

“Timmy, bij C afwenden en dan ever de dubbel­sprong. Jimmy, je mag direct achter hem aan. Maar je moet wel uitkijken dat je niet te dicht op Timmy zit. Jimmy, hoor je me?”

Tonke houdt het niet meer en roept vanuit haar bed: “Ai, jammer, Jimmy, dat je ervan afgevallen bent.”

Ze kijkt Nadia doordringend aan.

Nadia laat Jimmy op de grond vallen.

Tonke gaat verder: “We hadden toch gezegd dat je niet te dicht op Timmy moest zitten. Nu heb je een klap van zijn paard te pakken. Nou, als ik het goed zie heb je een gebroken been. Je moet naar het zie­kenhuis, knul. Goh, we hebben geen ambulance. Nou, dan brengen we je wel met de trailer.”

En dan zegt Tonke tegen haar vriendin: “Je kunt iemand met een gebroken been best met de trailer vervoeren, hè Nadia?”

Nadia legt Jimmy in de trailer. Nee, ze legt hem er

niet in, ze gooit hem erin! Zo ga je toch niet om met iemand met een gebroken been?

“Voorzichtig toch,” zegt Tonke.

“Ik ga naar huis,” zegt Nadia en ze staat op. “Kom je vanavond nog?”

Nadia schudt haar hoofd.

“Morgen misschien, als ik klaar ben met inpakken voor ponykamp” zegt ze. “Maar dan neem ik m”n eigen poppen en paarden mee. Want zo vind ik er niet veel aan.”

Welja, ga maar weer, denkt Tonke, laat me maar weer alleen.

Ze zegt geen gedag als Nadia afscheid neemt.

Het kan haar vriendin natuurlijk weer niets schelen dat Jimmy daar met een gebroken been in de trailer ligt.

Die arme jongen! Misschien moet hij wel worden

geopereerd. Hij moet in elk geval naar het ziekenhuis. En zij, Tonke, moet hem redden, want er is nie‑

mand anders die zich om hem bekommert.

Tonke trekt de manege dichterbij… en dichterbij…

“Die arme Jimmy moet onmiddellijk naar het zieken­huis,” roept Kelly, terwijl ze zenuwachtig om de trai­ler heen rent.

“Waar is Zack, waar is Brad?”

“Zack moet de paarden voeren,” zegt Tonke. “En Brad is, geloof ik, de stallen aan het doen. Zullen wij Jimmy maar naar het ziekenhuis brengen?”

“Oké,” zegt Kelly. “Brenda, Shanna, gaan jullie even uit de sportwagen? We hebben hem nodig om

Jimmy naar het ziekenhuis te brengen.”

Shanna springt meteen uit de auto, maar Brenda kijkt chagrijnig en stapt heel langzaam uit.

Tonke gaat achter het stuur zitten. Gelukkig is de sportwagen een automaat. Sturen, gas geven en rem­men, gemakkelijker kan het niet.

Kelly hoeft niet te weten dat Tonke nog nooit eer­der in een auto heeft gereden.

Kelly koppelt de trailer aan de auto. Voorzichtig

rijdt Tonke weg. Langs de stallen, langs de wei.

Ze komen in een landschap dat Tonke nooit eerder

heeft gezien.

Eerst rijden ze door glooiende, groene heuvels. Ze zijn helemaal alleen op een rechte weg.

Aan beide kanten van de weg zijn weilanden. Weilanden met mooie, witte omheiningen en paarden erin. Overal lopen paarden.

Tonke raakt gewend aan het rijden en krijgt meer zelfvertrouwen. Ze geeft meer gas.

De wind waait haar haren naar achteren en Tonke zou wel willen gillen van plezier.

Eindelijk heeft ze weer het gevoel dat ze leeft. Daar is een kruising.

Tonke weet niet of ze rechts of links moet, maar Kelly steekt haar arm naar rechts uit, dus dat zal wel de juiste richting zijn.

Tonke neemt de bocht met gierende banden. Ze rijden nu op een weg langs de zee.

Tonke lacht uitbundig. Ze voelt zich vrij. “Voorzichtig rijden, hoor,” roept Kelly naast haar. “We hebben nog een trailer achter ons.”

“We kunnen geen minuut verliezen,” gilt Tonke boven de wind uit. “Jimmy gaat hard achteruit.”

Via haar achteruitkijkspiegel kan ze in de trailer kijken. Jimmy ligt daar rustig te slapen, maar dat hoeft Kelly niet te weten.

Ze wil gewoon hard rijden, eens lekker scheuren. Voor hen rijdt een oude auto met een slakkengan­getje. Het wordt drukker op de weg.

Tonke toetert een paar keer en scheurt dan langs de auto. Nu heeft ze een auto met caravan voor zich.

De kustweg is bochtig, dus inhalen mag eigenlijk niet, maar daar trekt Tonke zich niets van aan. Ze gaat boven op het gaspedaal staan en de auto spuit vooruit.

Het is niet voor niets een sportwagen.

Als ze naast de caravan rijdt, ziet ze van de andere kant een motorfiets komen. De motor rijdt rakelings langs hen heen.

Kelly zit met een wit gezicht naast Tonke.

“We moeten daar naar rechts. Het ziekenhuis is hier vlakbij.”

Even later zijn ze al weer op de terugweg.

Ze hebben Jimmy netjes afgeleverd bij de eerste hulp en Kelly heeft zijn moeder gebeld.

“Wil je alsjeblieft wat langzamer rijden?”

Kelly klinkt wel erg bang, dus Tonke doet maar wat ze vraagt.

Nu ze rustig rijdt, kan ze ook beter om zich heen kijken.

De zee is prachtig blauw en de stranden zijn wit en

helemaal leeg.

Tonke doet even haar ogen dicht en geniet van de warme zonnestralen op haar wangen.

Wat heeft ze de zon gemist!

Als ze even later naar Kelly kijkt, ziet ze dat zij aan het huilen is.

“Luddeveddu?” vraagt Tonke.

“Hè?” zegt Kelly.

“Ik zag jullie vanmiddag samen,” zegt Tonke dan. “Toen jullie buiten reden. Hebben jullie al gezoend?”

Kelly houdt op met huilen en begint zelfs te blo­zen.

“Nee, zo ben ik niet,” zegt ze tegen Tonke.

Tas maar op voor Brenda,” zegt Tonke. “Brenda is hartstikke gek op Zack. En zij wil best met hem zoe­nen, hoor. Maar Zack niet meer met haar, denk ik. Brenda”s haar is niet zo mooi meer. Toen ik haar in bad meenam, heb ik er per ongeluk een paar plukjes uit getrokken. Zonde hoor. Nu is ze een beetje kaal aan de voorkant.”

Kelly kijkt Tonke verbaasd aan.

“Brenda is zwaar ziek geweest. Daarom is ze kaal van voren,” zegt ze. “Ze heeft het me zelf verteld. Haar haar begint al weer aan te groeien, zegt ze.”

“Nee hoor, ik heb haar haren eruit getrokken en weg is weg bij een pop,” zegt Tonke.

Kelly draait zich ongelovig om.

“Je snapt het niet, hè?” zegt Tonke. “Maar Brenda is van mij. Jij bent ook van mij. Jullie zijn speelgoed. Maar ik zal zuinig zijn op jouw haar, hoor. Ik heb jou van school gekregen toen ik net in het ziekenhuis lag.

Alle kinderen uit de klas hebben een gulden voor je betaald, denk ik. Je hebt wel zo”n dertig piek gekost.” “Het is niet waar,” zegt Kelly.

Tonke stuurt de auto naar een parkeerplaats. Het lijkt wel of ze op het randje van de aarde staan.

Om de parkeerplaats heen zijn geen hekken en Tonke ziet overal afgrond. Ze staan op een klif!

Niet vergeten de handrem aan te trekken, denkt Tonke. Dan draait ze zich om naar Kelly.

“Ja, het is wel zo,” zegt Tonke. “Ik heb jou je naam gegeven en Brenda ook. Allemaal namen uit Beverly Hills. Nadia heeft een Donna-pop en een Andrea.”

Kelly begint Tonke uit te lachen.

“En jij bent dan zeker de opperpop? Jij hebt zeker je eigen naam mogen bedenken! Tonke! Hoe verzin je het!”

“Doe niet zo stom, zeg. Jullie zijn poppen. Ik ben een mens. Ik heb een vader en een moeder en die hebben mijn naam bedacht. Ik ben naar een beroem­de schrijfster vernoemd.”

Kelly schudt haar hoofd heen en weer en begint dan te proesten van het lachen.

“Dan ben ik ook een mens, haha. Ik weet niet wat een vader of een moeder is, maar ik weet wel dat we allemaal gelijk zijn. Dat was het eerste wat me ver­teld werd toen ik uit de machine kwam.”

Ineens wordt Kelly heel kwaad en ze roept: “We worden allemaal gemaakt naar hetzelfde ontwerp. Alleen onze kleur haar is anders. Jij bent heus niet beter dan ik, al kom je uit een andere fabriek.”

Die stomme Kelly, ze snapt er ook werkelijk niets

van, denkt Tonke. Hoe moet ze het haar nu uitleggen?

“Ik kom niet uit een fabriek, maar uit een andere wereld. Maar ik kan in jullie wereld komen omdat ik mijn rug heb gebroken en op bed lig en uit verveling begin te fantaseren.”

Kelly begint te lachen. Ze kijkt om zich heen en zwaait met haar arm naar alle kanten.

“Waar is je bed dan? Ik kan het niet zien.”

“Dat kun je van hieruit ook niet zien. Mijn bed is in de andere wereld. De eh… buitenwereld.”

“En je hebt je rug gebroken? Daar zie ik ook al niets van.”

“Dat zie je alleen in het bed in de buitenwereld.” Kelly klemt haar lippen op elkaar.

“Je bent een fantast.”

“Dat heb je goed gezien. Als ik op bed lig, dan ga ik over jullie fantaseren. En dan ben ik ineens bij jul­lie.”

“Je bent niet goed snik.”

“Ik ben wel goed snik. Het is waar wat ik zeg. Ik ben een meisje en ik heet Tonke. Ik fantaseer gewoon dat mijn poppen tot leven komen.”

Kelly kijkt haar boos aan.

“Jij bent een pop en je fantaseert dat je op bed ligt en je rug hebt gebroken. Je bent niet wijs. Wie droomt er nou dat hij zijn rug heeft gebroken?”

Kelly doet het portier van de sportwagen open en stapt uit.

Tonke roept haar na: “Kom nou terug, dan rijden we naar de manege. Ik kan je bewijzen dat ik geen onzin praat. Als ik in de buitenwereld ben, dan laat ik

Nadia Brenda”s hoofd kaalknippen. Kunnen we lachen. En dan heb jij Zack voor jezelf. Nou, wat vind je ervan?”

Kelly begint weer te lachen.

“Tonke is gek, met de lepel in haar bek,” zingt ze en ze maakt er een paar danspasjes bij.

“Je mag blij zijn dat ik jouw hoofd niet laat kaal­knippen,” roept Tonke haar na.

Kelly begint nog harder te lachen.

Tonke rijdt weg, zonder Kelly.

Ik krijg jou nog wel, denkt ze.

Die Kelly met haar onschuldige blonde haren is eigenlijk net zo erg als die nare, eigenwijze Brenda. Ze mogen allebei wel eens een lesje hebben!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

6. VAKANTIEFOTO’S

 

EI en dikke envelop uit Drente,” zegt Tonkes moe­der. Wil je hem zelf lezen of zal ik “m voorle­zen? Hij is van Aafje.”

Weer lijkt het of Tonke van ver weg wordt terugge­haald. Of er iets haar hoofd was uitgevlogen, dat nu uit de lucht wordt gepakt en teruggebracht.

De stem van mam. Ja, ze is terug van weggeweest. Maar deze keer houdt ze er geen prettig gevoel aan over. Tonke is nog behoorlijk nijdig op Kelly.

Zie je wel dat ze nu weer in de echte wereld is? Ze heeft haar rug gebroken. Ze ligt op bed. De zieke krijgt post!

“Uil, ik lees hem zelf wel,” zegt Tonke met een sla­perige stem. Ze vindt het al erg genoeg dat haar moe­der al haar ansichtkaarten voorleest.

Haar moeder zwaait de envelop voor haar gezicht heen en weer en steekt dan haar nagel tussen de geplakte randen.

“Nee mam, ik kan hem zelf wel openmaken.” Tonke pakt de dikke envelop uit haar moeders handen.

Die vraagt: “Mag ik hem straks ook lezen?”

“Misschien,” zegt Tonke en ze wuift haar moeder weg.

Tonke bekijkt eerst de foto”s die in de envelop zit­ten.

Op de eerste foto staat een Fjordenpaard voor de

huifkar. Tante Merel zit op de bok, met naast haar Aafje en een stom kind.

Op de achterkant heeft tante Merel wat geschreven.

Dit is Alexandra, de Fjordenmerrie die we voor een week hebben meegekregen. Alexandra is kogel­rond. Ze gaat nog langzamer dan je oom Klaas, die vaak naast de huifkar loopt. Naast mij op de bok Aafje en Bianca.

Op de volgende foto zit de hele familie om een campingtafel bij de huifkar. De Fjordenmerrie staat erbij te kijken. Ze heeft alleen een halster om.

Tante Merel heeft weer op de achterkant geschre­ven.

Heerlijk, elke ochtend samen ontbijten in de natuur Alexandra kent ons al goed. Ze vindt het gezellig om bij ons te zijn. Ze is een uniek paard. Bianca kan goed met haar opschieten. Zij tuigt haar elke morgen op. Gisteren hebben Aafje en Bianca ook op de pony gereden.

“Bianca kan goed met haar opschieten,” herhaalt Tonke de zin hardop. “Nogal logisch met zo”n Fjord. Iedereen kan met een Fjord opschieten. Makkere paarden bestaan er gewoon niet.”

Hoe meer foto”s Tonke bekijkt, hoe chagrijniger ze wordt.

Bianca en Aafje samen op Alexandra.

Aafje en Bianca zwemmend in een meertje.

0 gelukkig, het is niet alleen maar vakantie: Bianca en Aafje lachend aan de afwas.

En wat is dat”?

Alexandra de Fjordenmerrie liggend op de grond.

Aan de ene kant van haar hoofd Aafje. Aan de andere kant Bianca.

Achterop staat: Alexandra houdt van zonnebaden. We hebben een prachtig, rustig strandje gevonden aan een meertje. Aafje, Bianca en ik vermaken ons op het strand. Klaas blijft bij de huifkar en de pony. Alexandra staat aan een lang touw. Ze kan grazen, maar het liefst ligt ze in de zon.

Wat een onzin, denkt Tonke. Als het zo warm is, zoeken paarden altijd de schaduw op.

Die stomme Bianca zal wel hebben gezegd: “Leg dat paard in de zon neer. Dat is goed voor hem.”

Arme Alexandra! De merrie heeft nu natuurlijk een zonnesteek opgelopen. Ze zal inmiddels wel dood zijn.

Arme, arme, arme Alexandra. Wat zielig voor dat beest.

Het is echt een lieve merrie. Ze heeft een leuk gezicht, een grappig gezicht.

Lang staart Tonke naar de foto.

Ineens staat Tonke voor Alexandra.

Alexandra ligt op een bed van bladeren.

Tonke steekt haar hand uit, zodat de pony haar kan besnuffelen.

Alexandra wil opstaan, maar Tonke zegt: “Rustig maar, ik ben het, Tonke. Ik ken jou al van de foto”s. Maar tante Merel heeft geen foto van mij bij zich. Dus kun jij mij nog niet kennen. Blijf maar lekker liggen en ruik maar aan mijn hand.”

Alexandra is gerustgesteld. Ze voelt zich zelfs zo op haar gemak dat ze haar hoofd op de grond legt. Ze

rekt haar benen uit als een kat. Haar hals is licht bezweet.

Gek, denkt Tonke. Een paar meter verder is volop schaduw. Er is voldoende gras om te grazen. Maar de merrie schijnt liever in de zon te liggen.

“Hallo Tonke,” zegt oom Klaas ineens achter haar. “Ga maar snel naar het water. Daar zijn Aafje en tante Merel. Wat is het warm, hè? Het is wel dertig graden, geloof ik.”

Tonke geeft haar oom een zoen.

Wat vreemd dat oom Klaas niet verbaasd is haar te zien.

“Aafje, Bianca, Tonke, we gaan naar de volgende overnachtingsplaats. Komen jullie uit het water?”

Tante Merel staat aan de rand van het water te zwaaien.

Bianca rent direct naar haar toe.

Maar Tonke duikt nog een keer onder water. Ze zwemt snel naar Aafje. Ze pakt de enkel van haar nichtje beet.

Aafje begint met haar benen te schoppen.

“Een haai, een haai,” gilt ze alsof ze doodsbang is.

Tante Merel staat hard te lachen aan de kant.

“Nou meiden, kom snel uit het water. We moeten nog ergens boodschappen doen. Het is al vier uur. Ik zou niet weten in welk dorp een supermarkt is.”

Tonke pakt de handdoek van haar tante aan en droogt zich af

Heerlijk. Haar lijf De zon op haar huid. Wat is dat lang geleden.

Aafje en Tonke verkleden zich in de huifkar. Bianca is Alexandra aan het inspannen, samen met oom Klaas.

Hij loodst de merrie naar de weg toe.

“De enige supermarkt in de buurt is in Borger, heb ik net gehoord.”

Tante Merel kijkt zorgelijk.

“Dat is zo”n kilometer of tien en Alexandra loopt misschien maar drie kilometer per uur. Hoe moeten we dat nou doen? We kunnen best een patatje halen voor vanavond of zo. Maar voor morgen heb ik ook geen ontbijt. Het brood is op en we hebben ook geen melk meer.”

“Alexandra kan toch draven,” zegt Tonke.

“Draven?” vraagt tante Merel.

“Ja, draven. Elk paard kan draven. Hebben jullie nog helemaal niet met Alexandra gedraafd?”

Tante Merel en oom Klaas kijken beschuldigend naar Bianca.

“Jij zei toch dat je niet mocht draven met een Fjord?”

“Nee eh, ik bedoelde eh… je moet uitkijken met haar hoeven,” zegt Bianca bedremmeld. “Paarden­hoeven zijn heel gevoelig. Vooral op de verharde weg.”

“Daarvoor heeft ze hoefijzers onder,” zegt Tonke. Ze denkt: wat een dombo, die Bianca.

“Nou, zorg jij maar dat we op tijd in Borger aanko­men, Tonke,” zegt tante Merel geïrriteerd. “Ik ga de huifkar opruimen. Klaas, je moet me helpen.”

Tonke zit in het midden op de bok. Aafje zit rechts van haar en Bianca links.

Tonke heeft de teugels stevig in handen.

“Draf Alexandra, draf, voorwaarts mars,” zegt ze gebiedend. Tonke slaat even met de teugels op de kont van de merrie.

Alexandra begint te draven.

Aafje kijkt Tonke vol bewondering aan.

“Ik wist niet dat Alexandra zo goed kon luisteren,” zegt ze.

Dan fluistert ze in Tonkes oor: “Bij Bianca luistert ze niet. Bianca heeft helemaal geen verstand van paarden. Ze kon Alexandra niet eens inspannen. Ze kreeg het bit niet in. Mijn vader kon het nog beter.”

Tonke knikt en vraagt aan Bianca: “Hoe lang rijd jij al paard, Bianca?”

“Eh, ik ben al op m”n tweede kaart.”

“En hoeveel knippen heb je op een kaart?”

“Eh, tien, hoezo?”

Bianca kijkt Tonke angstig aan. Ze snapt niet waar­om ze zo wordt ondervraagd. Het lijkt wel een kruis­verhoor.

“Dus je hebt een les of elf, twaalf gehad?” vraagt Tonke.

“Eerder dertien of veertien.”

“En heb je dan verstand van paarden, denk je?” Bianca kijkt beschaamd van Tonke weg, maar zegt niets.

Zo, die zit, denkt Tonke. Maar nu moet ik dat stom­me kind nog zien kwijt te raken. Ik heb geen zin om de rest van de vakantie met haar opgescheept te zitten.

“Tonke, we moeten doorrijden. We hebben nog maar een uurtje voor de winkels sluiten. We zijn er

nog lang niet,” zegt Aafje.

“Houd jullie goed vast,” zegt Tonke.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

7. IN GALOP

 

Tonke pakt de teugels heel kort vast.

1 “Galop, Alexandra, galop,” roept ze.

De merrie begint te galopperen.

De huifkar slingert eerst wat heen en weer.

Tante Merel trekt het zeildoek achter de bok open. “Wat gebeurt er? Is Alexandra op hol geslagen?” “Nee,” zegt Tonke. “We gaan in een hogere versnel‑

ling. We hebben toch haast?”

Tante Merel verdwijnt weer naar achteren.

De hoeven van Alexandra kletteren op de straatste­nen. Af en toe maakt ze een vonk met haar ijzers.

Alexandra schijnt het leuk te vinden in galop. Tonke hoeft haar niet eens aan te sporen. De merrie gaat steeds harder.

“We moeten daar rechtsaf,” roept Aafje.

Nu ziet Tonke het bord ook.

Borger, 5 kilometer.

Ze stuurt Alexandra naar rechts.

De huifkar gaat schuin door de bocht. Tante Merel en oom Klaas gillen achterin.

Daarna moeten ze een bruggetje over. Het is nogal smal.

Van de andere kant komt een fietser aanrijden. “Aan de kant,” roept Tonke.

Er is op het bruggetje geen ruimte voor de fietser en de huifkar.

Ohoh, dit gaat mis, denkt Tonke. We rijden zo over de fietser heen.

Maar de fietser is ook niet van gisteren.

Net voordat zij de brug opstuiven, pakt hij zijn fiets op. Hij gooit zijn rijwiel zo over de reling. Daarna springt hij er zelf achteraan.

Gelukkig, geen ongeluk, denkt Tonke.

Ze galopperen door. Langs weilanden en boerderijen. Door een schattig dorpje.

Gelukkig komen ze nergens stoplichten tegen.

Overal komen mensen uit hun huizen. Ze hebben Alexandra gehoord. Ze denken dat er een paard op hol is geslagen. Maar dat is niet zo.

Tonke heeft de teugels stevig in handen.

Alexandra doet precies wat zij wil.

“Naar links, naar links,” gilt Aafje, die nog steeds op de borden let.

Tonke kijkt even naar Bianca.

Het meisje zit met een wit gezicht naast haar. Haha, ze is doodsbang, denkt Tonke.

Zij is echt niet geschikt voor een huifkartocht. Op zo”n tocht moet je een beetje stoer durven zijn.

“Tante Merel, oom Klaas, geef tegenwicht,” roept Tonke. “We gaan naar links.”

De huifkar ligt nu wel heel schuin in de bocht. Oom Klaas en tante Merel hangen met hun hele gewicht naar rechts.

Tonke moet Alexandra heel goed sturen, anders vliegen ze uit de bocht.

De wielen knarsen en de huifkar slingert de hoek

om. Maar het gaat goed.

Daar is het bordje “Borger” al.

Tonke houdt Alexandra ineens heel erg in.

De merrie moet het gewicht van de huifkar tegen­houden.

Ze is heel erg sterk, want ze staat ineens stil.

Er staan mensen in hun tuintjes. Ook zij hebben natuurlijk gedacht dat er een paard op hol was. Nu ze zien dat Tonke de teugels in handen heeft, zijn ze gerustgesteld.

“Vraag waar de supermarkt is,” zegt Tonke tegen Aafje.

“Waar is de dichtstbijzijnde supermarkt?” vraagt Aafje aan een man op de stoep.

“Bij het kruispunt links, dan een kilometer recht­door en daar is de supermarkt. Het is een doorgaande weg, dus je kunt er niet parkeren. Je moet net voor de supermarkt een zijstraatje rechts hebben. Daar kun je de huifkar neerzetten,” zegt de man.

Alexandra staat op de plaats te dribbelen van onge­duld.

“Dank u,” zegt Tonke en ze geeft Alexandra weer de teugel. Alexandra spurt vooruit.

“Daar is het kruispunt,” zegt Aafje. “Voorzichtig, het is hartstikke druk.”

Het verkeer komt van alle kanten. Iedereen schijnt dezelfde straat in of uit te willen.

Ze moeten maar aan de kant gaan, denkt Tonke. Al die mensen hebben hun boodschappen vast al gedaan.

“Bianca, jij moet het signaal geven dat we naar links gaan,” zegt Tonke.

Bianca moet de stang loslaten, waaraan ze zich steeds vast heeft gehouden.

Ze steekt haar linkerarm uit.

“Zo ziet niemand je arm,” zegt Tonke. “Ga er maar bij staan.” Bianca gaat met trillende benen staan en ze steekt haar arm zo ver mogelijk uit.

Op dat moment stuurt Tonke Alexandra naar links. Het rechterwiel van de huifkar raakt de stoep even. De huifkar helt schuin over naar links en Bianca valt van de kar af.

Tonke ziet nog net hoe Bianca op haar hoofd op het asfalt terechtkomt. Direct daarna wordt ze over­reden door een bus, die van de andere kant komt. Bloed spuit uit de grond alsof er een fontein is neer­gezet.

Tot nooit, denkt Tonke.

Dan is ze met haar hoofd weer bij Alexandra.

“Ga door, geef alles wat je hebt,” roept ze.

Alexandra gaat nog harder. De huifkar helt over naar de ene en dan naar de andere kant.

“Daar is de supermarkt,” gilt Aafje opgewonden. “Eh, en daar het zijstraatje. Remmen joh, anders halen we het niet.”

Tonke zet de noodrem erop. Ze haalt de teugels in één keer in en Alexandra reageert meteen. Ze zet zich weer schrap om het gewicht van de huifkar tegen te houden.

Rustig stappen ze het zijstraatje in.

Aafje roept naar achteren dat ze bij de supermarkt zijn.

Tante Merel en oom Klaas springen uit de achter‑

kant van de huifkar. Ze rennen naar de supermarkt. Achter hen aan zwaaien een paar boodschappentas­sen.

“Het is vijf voor zes,” zegt Aafje. “Ik hoop dat mijn horloge goed loopt. Jee zeg, wat een rit! Wat kun jij sturen, zeg. Niemand anders had het je nagedaan.”

“Het was een fluitje van een cent,” zegt Tonke.

“Dat kan iedereen die verstand heeft van paarden.”

Ze springt van de bok en gaat naar het hoofd van Alexandra toe.

De merrie staat flink te hijgen. Haar hele lijf is bezweet en de damp slaat van haar af. Haar dikke buik is verdwenen.

Aafje komt aanlopen met een emmer water.

“Het water is lekker koud gebleven,” zegt ze en ze wil Alexandra laten drinken.

“Nooit een paard koud water geven als het net hard gewerkt heeft,” zegt Tonke. “Dan krijgen ze koliek. Is er niet ergens lauw water?”

Aafje loopt naar achter, de huifkar in. Even later komt ze terug met de ketel.

“Hier zitten een paar slokken lauw water in,” zegt ze. “M”n moeder heeft net thee gezet, denk ik.”

Tonke leegt de emmer met koud water en gooit de inhoud van de ketel erin.

“Hier Alexandra, rustig drinken,” zegt ze.

Alexandra duikt met haar hoofd in de emmer en begint gulzig te drinken. Het water is al snel op. Ze kijkt Tonke aan met een blik van “is er niet meer?”.

“Je krijgt straks meer als we op de camping zijn,”

zegt Tonke. “Als je uitgehijgd bent.”

“Waar gaan we precies naartoe?” vraagt Tonke aan Aafje.

“Ik dacht naar Buinen,” zegt Aafje. “Dat is maar drie kilometer hiervandaan.”

Daar komen tante Merel en oom Klaas weer aan.

Ze dragen allebei twee boodschappentassen die aan alle kanten uitpuilen.

Tante Merel geeft een boodschappentas aan Tonke. “Voor jou, meid, omdat we door jouw stuurmans­kunst te eten hebben.”

Tonke kijkt in de tas en likt haar lippen al af. Ze ziet allerlei soorten drop. Marsen, twixen, repen cho­colade, chips. Blikjes cola en sinas.

Ze maakt eerst de zak chips open. Die heeft ze het langst niet gegeten.

Tonke graait de chips gewoon uit de zak en propt ze in haar mond. Ze gaat zo door tot de hele zak leeg is.

Nu is haar honger een beetje gestild.

“We moeten verder,” zegt ze dan. “Alexandra mag niet te lang stilstaan nu ze zo nat is. Dan wordt ze ziek.”

“Oké. Wij bergen de boodschappen in de huifkar op en gaan alvast aan het eten beginnen,” zegt oom Klaas. “Nu kunnen we, geloof ik, wel wat rustiger rij­den, hè?”

Haha, denkt Tonke. Zelfs oom Klaas is bang geweest.

“Waar is Bianca eigenlijk?” vraagt tante Merel. “Ik heb haar al een tijd niet gezien,” zegt Aafje.

“Ik dacht dat ze met jullie mee was naar de winkel,” “Nee.” zegt tante Merel en ze kijkt zoekend om zich

heen.

“Eh, ik heb haar onder eh… op een bus zien stap­pen,” zegt Tonke. “Ze. eh, had heimwee, geloof ik. Ze wilde liever naar huis.”

Tante Merel kijkt opgelucht.

“Het is maar goed ook, dat ze weg is. Ze kan hele­maal niet sturen en ze is ook geen familie. Veel gezelliger, wij met z”n vieren.”

 

 

 

 

 

 

 

8. DE REUZEN VAN DRENTE


Hallo Tonke,

Zo jammer dat je niet mee kon op de huijkartocht. Ik hoop dat we volgend jaar weer gaan. Dan mag je zeker mee, heeft mam gezegd. Hopelijk is dan je rug weer genezen.

Het is hier hartstikke leuk, joh. Het is heel erg warm overdag, maar wel koud “s nachts, hoor

Bianca en ik slapen in een tent. Wij hebben het niet zo koud. Maar papa en mama klagen wel over de kou. Ze proberen de huifkar te verwarmen met omge­keerde bloempotten op het gas. Grappig hè? Het helpt wel.

De eerste nacht hebben we op een boerderij gesla­pen. Leuk joh. J4 stonden met wel twaalf huifkarren op een veldje. Alexandra, onze pony, moest naar de wei worden gebracht. Dat was wel een kilometer ver­der Toen heeft Bianca Alexandra vastgehouden en mocht toi op haar rug. Ze heeft een hele brede rug. Ik lag bijna met mijn benen in spagaat.

Mam heeft pannenkoeken gebakken en op een bepaald moment zat iedereen in een kring. Een jon­gen had een gitaar bij zich. We hebben met z”n allen gezongen, leuk joh.

De volgende nacht hebben we op een andere boer­derij overnacht. Het was een boerderij met een cam­ ping. Maar wij stonden weer op een ander veldje.

Er lag een kalfje aan een touw. Het was pas de vorige dag geboren. Als de koeien gemolken werden, kreeg het ook te drinken. Ik vond het wel zielig hoor, zo alleen aan een paal. Waarom mocht het niet bij zijn moeder blijven, hè? Het zal wel ziek geweest zijn. Of misschien was zijn moeder doodgegaan bij de bevalling.

De dag daarna hebben we een meertje ontdekt. Een heel mooi strand en lekker water Bianca en ik mochten heel lang in het water liggen en bruinbak­ken. Pap bleef bij de huifkar Alexandra mocht gra­zen.

Maar toen we “s middags weggingen, moesten we nog boodschappen doen. En het was al vier uur De dichtstbijzijnde supermarkt was wel tien kilometer verder

Tonke laat de brief zakken. Er loopt een rilling over haar rug.

Hoe kan ze nu al gefantaseerd hebben over de rit naar de supermarkt. Ze had de brief toch nog niet gelezen?

Snel leest ze door.

Hij was in Borgera die supermarkt. We hebben de hele weg gedraafd. Op het laatst had Alexandra helemaal geen zin meer in draven.

We waren net op tijd bij de supermarkt. We hadden bijna niet te eten gehad. Spannend joh!

Lang niet zo spannend als onze rit, denkt Tonke.

Wat is draven nou? Galop is toch veel spannender?

Dan leest ze weer door. Ze is nog lang niet aan het einde. Het lijkt alsof Aafje elke dag een stukje heeft geschreven. Ze heeft wel steeds dezelfde pen gebruikt.

Maar bij elk nieuw stukje is het handschrift iets anders. Alsof ze steeds op een andere ondergrond heeft geschreven.

Gisteren lijn we naar het openluchtmuseum Schoonoord geweest. Het heet “De zeven marken”. Je kunt daar zien hoe de 171C11SC11 vroeger in Dwnte heb­ben gewoond. De meeste gezinnen woonden in plag­genhutten. De kinderen sliepen raak met z”n allen in een bedstee. Als ze “s ~hts moesten plassen, dan kon dat alleen maar buiten. Achter het huis. Eng, hè? En koud in de winter natuurlijk.

De dieren sliepen ook in het huis. Bijvoorbeeld een geit of een schaap. In delelfde ruimte waar de men­sen sliepen! Alaar er vvaren ook mensen die nog in holen woonden, zoals Ellert en Brammert.

Ellert en Brammen, Ellert en Brammen, waar heeft ze die namen ook al weer eerder gehoord? Tonke pij­nigt haar hersens af naar het antwoord.

Ellert en Brammert… Ellert en Brammert…

Tonke kijkt stiekem door het kijkkastje van het hol. Ze ziet daar twee heel grote, ruwe kerels met baar­den. Deze mannen hebben zich al een hele tijd niet

gewassen. Ze stinken!

Al staat Tonke achter een soort muur van aarde, ze kan ze toch ruiken. Als ze verder in het hol kijkt, schrikt ze zich rot. Op een stoel in het hol zit een meisje vastgebonden. Het is Nadia! Om haar mond is een doek geknoopt.

Een van de reuzen zit een groot mes te slijpen. Hij kijkt steeds heel vals naar Nadia.

Nadia is doodsbang. Ze weet dat ze zo vermoord zal gaan worden. Ze weet dat er geen hulp komt, ook al zou ze kunnen roepen.

Ze zijn op de meest afgelegen plek van Drente. Er zijn nergens huizen te bekennen.

De enige op de hele wereld die haar kan helpen. ben ik, denkt Tonke.

Ze moet dus wat doen, maar wat?

Ineens weet ze het. Ze moet de reuzen naar zich toe lokken.

Als ze haar zien, dan rennen ze natuurlijk achter haar aan. Zij holt dan naar de huifkar en laat Alexandra weer hard galopperen.

In de tussentijd kan Nadia zich wel losmaken en vluchten.

Tonke roept door het kijkgat: “Hallo Ellert en Brammert, ik ben het, Tonke. Jullie willen toch een lekker meisje oppeuzelen? Nou, toevallig ben ik net gekozen tot het lekkerste meisje van de wereld.”

Dat spreekt de reuzen wel aan. Zij laten hun prooi direct achter en komen hun hol uit.

Tonke kan Nadia nog net een knipoog geven. Nadia lacht opgelucht.

Dan rent Tonke snel weg. Ze zorgt er wel voor dat de reuzen zien welke kant ze op gaat.

Ja, ze zijn op het goede spoor.

Zo snel als ze kan, holt Tonke naar de huifkar. De kar staat op de weg die naar het paardenverhuurbe­drijf leidt.

Misschien kan ze daar een ander paard voor de wagen zetten. Alexandra zal wel moe zijn.

De merrie begint te hinniken als ze Tonke ziet. Ze staat al te dribbelen van ongeduld.

Tonke springt op de bok.

Maar daar blijkt ook een ander meisje te zitten. Het is Ellen van de manege!

Tonke heeft geen tijd om te vragen wat Ellen hier doet. Het was zeker grootspraak, die vakantie naar Portugal. Zie je wel dat je niemand moet geloven”?

Tonke rukt de teugels uit Ellens handen en roept: “Alexandra, galop. Zo hard mogelijk. We worden door twee reuzen achternagezeten.”

Alexandra spant haar krachtige spieren en spurt weg.

Ellen houdt zich krampachtig vast aan een stang. “Reuzen, reuzen? Waar zijn die reuzen? Hoe groot zijn die reuzen?” jammert ze.

Tonke hoeft geen antwoord te geven.

De reuzen rennen brullend achter hen aan. Ze lij­ken nu nog groter dan net in hun hol. Ze zijn wel anderhalve keer zo groot als de grootste man die Tonke ooit heeft gezien. Ze zijn wel drie meter hoog! En hun benen zijn zo lang dat ze hele grote passen kunnen maken.

Het is maar de vraag of Alexandra ze voor kan blij­ven.

Ellert en Brammert hebben hun armen helemaal naar voren uitgestrekt. Ze proberen de achterkant van de wagen te pakken. Als dat lukt, dan kunnen ze de huifkar stopzetten en dan is Tonke hun avondmaal.

“Harder, harder,” gilt Tonke naar Alexandra. De merrie spant zich nog meer in.

Ineens ziet Tonke het bord van de paardenverhuur. Ze stuurt Alexandra naar rechts. Het is een heel scherpe bocht.

Ze ziet de gebouwen met stallen dichterbij komen. Voor de stallen is een lange stang, waaraan paarden zijn vastgebonden.

Tonke herkent meteen Satan. Hij staat naast Corrado. Een pikzwarte hengst naast een spierwitte ruin.

Tonke springt van de rijdende huifkar. Ze rent naar Satan toe en maakt het touw los. Ze klimt op het zadel en galoppeert weg.

Ook Ellen is van de bok gesprongen. Zij zit al op Corrado en roept naar Tonke: “Wacht op mij, wacht op mij.”

Tonke spoort Satan aan en in vliegende vaart ga­lopperen ze het bos in.

De reuzen zijn even op een dwaalspoor gebracht. Ze hebben Alexandra gevolgd tot ze stilstond. Toen pas beseften ze dat hun lekkere hapje niet meer op de bok zat.

Brullend van woede hebben ze om zich heen geke­ken.

Hun ogen vielen op een meisje dat op het paarden-bedrij f werkte.

Ze vonden dat zij er ook lekker uitzag.

Maar het meisje gebaarde met haar hand en riep: “Kijk daar, ze rijden op het bospad. Zien jullie ze niet?”

Ellert en Brammen begonnen direct weer te ren­nen. Even later zijn ze de meisjes al dicht genaderd.

Hun grote voeten bonken op de grond. Ze hebben allebei een knots in hun hand.

Corrado galoppeert meters achter Satan aan. Hij hijgt als een postpaard.

“Niet zo snel,” roept Ellen. “Corrado kan Satan niet bijhouden. Help.”

“Ieder voor zich en God voor ons allen,” roept Tonke terug.

Die kreet heeft ze wel eens ergens gelezen of gehoord. Hij komt hier goed uit.

Wat kan het haar schelen als Ellen wordt gepakt?

Tonke stuurt Satan dwars door het struikgewas. Ze springen over omgevallen boomstammen en door lage struiken.

Satan is een renpaard en dat merkt Tonke. Het lijkt wel of ze vliegen.

Ellen en Corrado raken steeds meer achterop. “Wacht op mij, wacht op mij,” roept Ellen steeds. De reuzen hebben haar bijna te pakken.

Maar Tonke is niet gek.

Ellen heeft toch ook nooit wat voor haar gedaan”? Laat ze het dan nu ook maar zelf uitzoeken.

In de verte ziet Tonke water glinsteren. Er ligt een meer in de bossen.

Satan racet over het witte zand en rent dan zo het water in. Al na een paar meter is het water zo diep dat

hij moet zwemmen.

Tonke houdt zich aan zijn manen vast.

Ook Ellen heeft het zand bereikt.

Corrado springt met grote sprongen het water in en

zwemt achter Satan en Tonke aan.

De reuzen blijven aan de kant staan. Het is wel te zien dat ze niet van water houden. Ze hebben zich waarschijnlijk nog nooit van hun leven gewassen.

De reuzen gaan erbij zitten.

Tonke heeft er spijt van dat ze het meertje in is gevlucht. Nu zit ze weer met die stomme Ellen opge‑

scheept.

Het water is hartstikke diep.

Hoe lang houden de paarden het zwemmen vol?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

9. OP DE VLUCHT

 

Naeen tijdje staan :41111:1e;t)en Brammert weer op. Ze lopen allebei naar een andere kant van het meer.

Dit is heel vervelend, denkt Tonke. Welke kant we ook op gaan, die reuzen hebben tijd genoeg om ons te pakken als we uit het water komen.

Satan begint moe te worden van het zwemmen.

Een paard is een loopdier en geen zwemdier, denkt Tonke. Dit is echt een rotsituatie. Wat moeten we doen?

Met Corrado is het nog veel slechter gesteld. De schimmel verdwijnt af en toe met zijn hoofd onder water. Hij houdt het gewoon niet meer vol.

“Help me toch, help me dan,” huilt Ellen. “We ver­drinken. Mag ik me aan jou vasthouden? Dan laat ik Corrado los.”

Dat is wel het toppunt, denkt Tonke. Ze laat Corrado gewoon verdrinken. Als ze haar eigen hachje maar kan redden.

Maar ze zegt: “Oké, laat Corrado maar los.”

Ellen zwemt naar haar toe.

Ineens stuurt Tonke Satan naar de wal. Ze roept Corrado haar te volgen.

Zonder ruitergewicht op zijn rug kan Corrado het nog wel even volhouden.

“Waar ga je heen, wacht op mij,” roept Ellen angstig.

Satan en Corrado hebben al vaste grond onder hun

voeten.

Tonke ziet dat Brammert haar kant op komt ren‑

nen.

Ze laat zich naar één kant van het zadel glijden en

houdt zich daar vast aan de stijgbeugel en Satans

manen.

Als Brammert dichterbij is, ziet hij helemaal geen

meisje op Satan rijden.

Op hetzelfde moment begint Ellen weer te roepen

vanuit het midden van het meer.

“Help, help, ik houd het niet vol. Ik verdrink.”

Brammert raakt in verwarring.

Hij wil een lekker meisje eten en niet een paard.

Hij eet al zo vaak paard.

Uiteindelijk rent hij terug naar Ellert om overleg te

plegen.

De paarden galopperen het water uit en rennen een

bospad in.

Al die tijd heeft Tonke aan één kant van het paard

gehangen. Ze krijgt lamme vingers. “Ho Satan, halt houden,” fluistert ze.

Satan doet meteen wat ze zegt.

Ook Corrado staat gelijk stil. De schimmel loopt

naar haar toe en blaast haar dankbaar in haar gezicht. De paarden moeten echt even rust hebben, denkt

Tonke.

Ze ziet een prachtig stukje grasland iets verderop. “Gaan jullie hier maar even grazen en rusten,” zegt

ze tegen de twee paarden. “Ik ga even terug om te kij­ken wat de reuzen uitvoeren.”

De paarden zijn maar al te blij dat ze hun honger kunnen stillen.

Tonke sluipt terug naar het meertje. Van achter een paar struiken kan ze alles precies zien.

Ellen heeft de strijd opgegeven. Ze is naar de kant gezwommen. Ze probeert niet de reuzen te praten. Tonke hoort wel wat ze zegt!

“Ik ben helemaal niet het lekkerste meisje dat er is,” zegt Ellen. “Dat is Tonke. Zij is het zoetste meisje dat er bestaat. Alleen om te eten, hoor, niet in haar doen en laten. Dan is ze bepaald niet zoet. Ik ben bijvoor­beeld wel een zoet meisje in mijn doen en laten, maar om te eten ben ik zuu…”

De reuzen zijn niet zo goed in taal. Ze hebben begrepen dat Ellen zoet is. Ze hebben honger na de zware achtervolging. Ellert pakt Ellen vast. Hij stuurt Brammert weg.

Even later komt Brammert terug met een hele bos hout achter zich aan.

Reuzehandig maakt hij er een vuurtje van.

Ellen zwaait met haar armen en schopt met haar benen.

Ze tiert: “Als mijn vader erachter komt dat jullie me vasthouden… Laat me los! Laat me onmiddellijk los! Mijn vader stuurt zijn bodyguards op jullie af. Dan gaan jullie voor altijd de gevangenis in!”

Met één hand heeft Ellert Ellens middel vast. Voor hem is zij een veertje. Hij laat haar echt niet los.

Ellen wordt aan een lange staak gespietst en boven het vuur gehangen.

Ze schreeuwt moord en brand. Ellert draait haar steeds in het rond.

Dan maakt Ellen geen geluid meer.

Eigen schuld, dikke bult, denkt Tonke. Dan had je je paard maar niet in de steek moeten laten.

Ineens denkt ze aan Nadia.

Heeft haar vriendin zich wel los kunnen maken? Tonke besluit snel te gaan kijken. Als de reuzen hebben gegeten, dan gaan ze vast terug naar hun hol!

Rustig draaft Tonke op Satan terug naar het hol van de reuzen.

Corrado draaft achter haar aan. De schimmel wil haar maar al te graag als nieuwe baas.

Bij het hol aangekomen springt Tonke van Satan af. Ze kijkt door het kijkgat. Nadia zit nog steeds aan de stoel vastgebonden met een doek om haar mond.

Tonke rent naar binnen en ze haalt de doek weg.

“Wat een geluk dat je er bent,” zegt Nadia. “Ik kon mezelf niet los krijgen. Je hebt iets scherps nodig om de touwen los te snijden. Daar in de hoek, op die tafel, ligt een scheermes. De reuzen wilden dat ik hun dienstmeid werd. Ik moest eten voor ze koken en ze elke dag scheren. Erg hè? Voordat je die baarden eraf hebt, ben je twee eeuwen verder.”

Tonke pakt het scheermes van de tafel.

Het ziet er heel scherp uit.

Ze snijdt er Nadia”s touwen mee door alsof het draadjes zijn.

“Wat een scherp mes. Daarmee kun je ze de keel wel doorsnijden,” zegt ze tegen Nadia.

“Dat was ik ook van plan,” zegt Nadia. “Maar

gelukkig hoeft dat niet meer. Ik houd niet zo van bloed. Nou, zullen we gaan?”

“Oké,” zegt Tonke. “We zijn lang genoeg in dit sme­rige hol geweest.”

Nadia kijkt boos. “Hoezo smerig? Ik heb het hier al schoongemaakt, hoor. Je had het eens moeten zien zoals het was. Er lagen overal vieze kleren en borden met etensresten.”

Tonke haalt haar schouders op.

“Laten we nu maar geen ruzie maken. We moeten weg zijn voordat de reuzen terugkomen. De paarden staan buiten. Jij mag op Corrado.”

“Ik wil op Satan,” zegt Nadia. “Jij hebt al die tijd al op Satan gereden.”

Zuchtend gaat Tonke akkoord.

De paarden staan achter het hol te grazen. Ze komen direct naar hen toe.

“Laten we opschieten,” zegt Tonke en ze klimt op Corrado.

“Oh shit, ik ben m”n rugzakje vergeten,” zegt Nadia en ze springt weer van Satan af.

“Wat maakt dat nou uit, joh. Laat liggen,” zegt Tonke. “De reuzen kunnen elk moment hier zijn.” Maai Nadia rent terug naar het hol.

“M”n Donna-pop zit erin,” roept ze.

Op dat moment hoort Tonke de zware voetstappen van een van de reuzen.

Het is Ellert en in zijn hoed heeft hij Ellens blonde paardenstaart gestoken.

De reus rent gelijk het hol in.

Tonke hoort hem grommen.

Hij ziet natuurlijk dat Nadia los is. Hij zal haar weer vastbinden.

Ze hoort Nadia al krijsen en de reus brullen. Even later hoort ze Nadia brullen en de reus krijsen.

Nadia komt naar buiten gerend. In haar hand heeft ze het scheermes.

Er druipt wel een liter bloed vanaf

“Ik heb hem zijn keel doorgesneden,” roept ze.

Nadia maakt een soort vreugdedans om de paarden heen. Dan wil ze weer terug naar het hol gaan.

“Idioot, we moeten vluchten,” zegt Tonke. “Zo meteen komt die Brammert er aan. Hij vermoordt je als hij ziet dat je Ellert hebt gedood.”

“Nee, ik vermoord hem,” roept Nadia opgewonden.

“Net als Ellert. Ik zei hem dat ik hem zo graag wilde scheren. Hij ging direct in de stoel zitten!”

Tonke springt van Corrado af. Ze geeft Nadia een klap in haar gezicht.

“Je lijkt wel gek geworden. We moeten weg. Schiet nou op.”

Nadia komt weer bij zinnen. Ze laat het mes uit haar handen vallen en zegt: “Oh, mijn God, ik heb een reus gedood. Wat afschuwelijk!” Nadia valt met haar knieën op de grond.

Ze jammert: “Ik ben een slecht mens. Ik heb een reus gedood.”

“Stel je nou niet zo aan,” zegt Tonke en ze trekt Nadia van de grond.

“Die reus heeft eerst Ellen opgepeuzeld en datzelf­de wilde hij met jou doen. Het was gewoon zelfverde­diging. Dat zal de rechter ook wel vinden. Laten we

nou naar huis gaan. Ik heb nog steeds natte kleren. Ik krijg zo langzamerhand ook honger. Nou, ga je mee?”

Daar horen ze de voetstappen van Brammert al.

Nadia heeft geen aansporing meer nodig. Ze springt op Satan en galoppeert weg.

Tonke is nieuwsgierig naar de reactie van Brammert. Maar ze volgt haar vriendin toch.

Net als ze de bocht om gaan, hoort ze een doffe klap naast zich. Brammerts bijl staat te trillen in de bast van een oude eik.

Tonke maakt dat ze wegkomt.

10. EEN REUS IN DE TRAILER


Corrado racet door het bos. Tonke spoort hem aan nog sneller te gaan. Algaloppeert de schimmel nog zo hard, toch worden ze door Brammert ingehaald.

Wordt die reus nou nooit eens moe, denkt Tonke. Nadia en Satan zijn nergens meer te bekennen. Satan is het snelste paard van de hele wereld.

Eerst red ik Nadia van de reuzen, denkt Tonke, en

dan pikt ze ook nog eens het snelste paard in. Mooi is

dat.

Ineens voelt Tonke dat Corrado niet meer vooruit­komt. Ze kijkt om en ziet dat Brammert de ruin bij zijn staart vast heeft.

“Schop naar achteren, Corrado,” roept Tonke. Corrado slaat met zijn hoeven in de buik van Brammert en de reus laat zijn staart los.

“Houd nog even vol, Corrado, we zijn bijna bij de manege,” zegt Tonke en de schimmel sprint weer ver­der.

Nog een klein stukje rechtdoor en dan de hoek om.

Dan zijn ze op het bospad naast de manege.

“Zack, Brad, Kelly, Shanna…,” begint Tonke alvast om hulp te roepen.

Met hulp van alle poppen van de manege moet de reus toch wel verjaagd kunnen worden?

Daar racen ze de hoek al om, net voor de grijpgra‑

ge handen van Brammert, die al weer vlak achter hen aan rent.

Precies voor de ingang van de manege stort Corrado van vermoeidheid neer.

Tonke springt van hem af.

“Help ons, help ons,” roept ze.

Zack komt meteen uit de manege aanrennen. Hij springt tegen Brammert op, maar wordt neergeslagen.

Brad komt ook uit de stallen gehold, maar als hij ziet wat er met Zack is gebeurd, rent hij zo snel mogelijk weg. “Ik ga de politie bellen,” roept hij. “Houd stand.”

Ook Shanna, Timmy en Jimmy komen Tonke te hulp.

Gewapend met bezems en vorken komen ze op de reus af, maar hij veegt ze met één zwaai van zijn hand de hooiberg in.

Kelly en Brenda komen nietsvermoedend uit de binnenbak stappen.

Kelly rijdt op Dexter en Brenda op Quickstep.

“Geef mij een paard,” roept Tonke en ze rent naar de meisjes toe. “Die reus wil me vermoorden.”

Zodra Kelly en Brenda Brammert zien, draaien ze hun paarden om. Ze galopperen weg, terug naar de binnenbak.

Tonke staat oog in oog met de reus.

Brammert kijkt haar met glimmende ogen aan. Met zijn grote, donkerrode tong likt hij alvast zijn lippen af.

Tonke ziet zich al aan een spies boven het vuur hangen. Ze moet wat doen!

Ineens krijgt ze een idee.

“Kom maar, Brammert, kom maar lekker met me mee,” zegt ze en ze rent weg.

Tonke heeft gezien dat de trailer nog aan de sport­wagen hangt en dat de klep open is. Ze moet Brammert in de trailer zien te krijgen!

“Brammert. Brammert, lokt Tonke. Ze rent de trailer in en Brammen komt natuurlijk achter haar aan.

Zodra de reus in de trailer staat, springt Tonke er weer uit door het kleine deurtje aan de voorkant. Snel loopt ze om naar achteren en ze gooit de klep dicht.

Brammen zit gevangen in de trailer.

Tonke springt in de sportwagen en rijdt zo snel mogelijk weg.

Ze hoort Brammen in de trailer grommen en brul­len.

Tonke weet precies waar ze heen wil. Ze rijdt naar de parkeerplaats aan de kustweg. Daar waar ze met Kelly heeft staan ruziemaken.

Ze hoort een enorm kabaal uit de trailer komen.

Brammert is helemaal wild geworden! Hij beukt met zijn vuisten tegen de wanden en Tonke ziet de planken stukgaan. Nog even en hij heeft zich bevrijd!

Daar is de parkeerplaats al.

Tonke stuurt de sportwagen erop en rijdt dan ach­teruit, zodat de trailer net voor de afgrond komt te staan.

Nu moet de trailer nog worden losgekoppeld en dan kan ze hem van het klif afduwen.

Tonke stapt uit de auto en begint aan de trekhaak te

sjorren. Weer hoort ze de trailer kraken.

Ineens vliegt er een grote plank uit de zijkant en ze ziet de worstvingers van Brammert naar zich toe komen.

“Ga nou los, ga nou los,” zegt Tonke huilend tegen de trailer.

Daar zeilt een groot stuk hout door de lucht en Tonke ziet de dikke, rode kop van Brammert door het gat in de trailer verschijnen.

De reus opent zijn stinkende mond en laat dreigend zijn rotte tanden zien.

-Fonke verzamelt al haar krachten en trekt de trailer van de trekhaak los. Ze duwt de trailer richting afgrond.

Brammert heeft nu ook zijn andere arm bevrijd.

Hij kijkt Tonke vals aan en strekt zijn beide handen naar haar uit.

Tonke deinst terug, maar net achter haar staat de sportwagen en ze drukt zich tegen de achterkant aan. Brammert spreidt zijn vingers.

Met grote ogen van angst ziet Tonke de grote han­den van Brammert op zich afkomen. Die enorme handen met de gespreide vingers die zich zo meteen om haar nek zullen krommen. Maar ze ziet ook de trailer langzaam naar achteren rijden.

Als zijn vingers zich sluiten, hoort Tonke: pff. Ze sluiten zich in de lucht.

De trailer rolt over de rand van het klif en ver­dwijnt in de afgrond.

Ineens komt Nadia op Satan aangalopperen.

“Ik zag wat er gebeurde,” roept ze opgewonden.

“Dat was op het nippertje, zeg. We hadden graag geholpen, hoor, maar ja, Satan en ik zijn een beetje verdwaald, geloof ik.”

Tonke merkt dat ze weer terug is in haar bed. Ze hijgt en het zweet loopt in straaltjes in haar nek.

Gelukkig, ze leeft nog en die stomme Brammert is er geweest.

De brief van Aafje ligt naast haar op de deken.

Als ze gekalmeerd is, pakt ze hem weer op en leest verder.

Maar het leukste was wel het verhaal van Ellert en Brammert. Dat zijn de reuzen van Drente. Zij hielden een meisje gevangen in hun hol. Het meisje moest voor hen zorgen en hen scheren en zo.

Zij heeft Ellert met het scheermes zijn keel doorge­sneden. Toen kon ze ontsnappen. Brammert is achter haar aan gerend. Maar hij heeft haar niet kunnen pakken. Daarna heeft niemand meer iets van hem gehoord.

Je zou toch door een reus achtervolgd worden! Echt eng, hè? Maar ja, het is maar een Drentse legende.

De rest van de brief leest Tonke vluchtig door.

Aafje schrijft nog over wat ze allemaal gegeten hebben. Hoe vaak ze een ijsje hebben gehad. Welke cadeautjes ze hebben gekregen. Dat ze het jammer vindt dat de vakantie al is afgelopen. En dat ze nog­maals hoopt dat Tonke snel beter is.

Tonke doet haar ogen dicht. Ze is moe van haar avon­turen. Ze zou wel even willen slapen.

Maar dat is haar niet gegund, want Nadia komt bin­nen. Ze zet haar rugzak op de grond en zegt: “Ik heb twee paarden meegenomen en mijn nieuwe donker­bruine pop.”

“Ben je gewond?”

Nadia heeft een grote pleister over haar hand.

“Ik heb me gesneden met mijn vaders scheermes. Stom, hè? Het lag op tafel in de woonkamer. Wie legt het daar nou neer? Het hoort toch in de badkamer? Mijn vader zegt dat hij het nog nooit mee naar bene­den heeft genomen. Mijn moeder denkt dus dat de kaboutertjes het hebben gedaan.”

Tonke fronst haar wenkbrauwen.

“Dus je bent niet zo handig met een scheermes?” “Nee, ik had mezelf bijna om zeep geholpen.” Ineens krijgt Tonke een goed idee. Die stomme

Kelly en Brenda, die haar niet wilden helpen. Ze ver‑

dienen allebei een lesje!

“Ben je wel handig met de schaar?”

Nadia knikt.

“Hoezo?”

Wil jij Kelly”s haar afknippen?”

“Hoe kort?”

“Helemaal kaal.”

Nadia kijkt geschokt.

“Dat vind ik zonde,” zegt ze. “Het is je mooiste pop. Je hebt haar van de klas gekregen! Waarom wil je haar kaal hebben?”

limm. Je hebt gelijk. Ik wacht er nog even mee.

Het leek me wel geinig om er een kale pop bij te heb­ben.”

“Waarom neem je dan Brenda niet? Die mist al een paar plukken.”

“Ik zal er eens goed over denken. Misschien gebruik ik Kelly”s haar om er een pruik voor Brenda van te maken. Of eh, ik maak ze allebei kaal. Zullen we oorlogje spelen?”

Daar heeft Nadia helemaal geen zin in.

“Laten we doen dat Dexter wordt mishandeld.” “Alleen als Kelly dat heeft gedaan,” zegt Tonke. “Oké,” zegt Nadia. Zij is allang blij dat het niet haar

nieuwe pop is.

“En als Zack merkt dat Kelly Dexter mishandelt, dan knipt hij haar kaal,” zegt Tonke.

Nadia haalt haar schouders op. Als Tonke iets in haar hoofd heeft, is het er niet meer uit te rammen.

“Voor mijn part,” zegt Nadia en ze gaat bij de manege zitten. “Hé, de paardentrailer is weg. Waar is de paardentrailer?”

Tonke kijkt verschrikt naar de plaats waar de trailer heeft gestaan. Hij hing toch aan de sportwagen met de klep open? De sportwagen staat netjes naast de stallen, maar de trailer?

“Zonde hoor,” zegt Tonkes moeder en ze komt bin­nenlopen met de trailer in haar hand.

“Hij lag in de tuin, onder je raam, hij is helemaal stuk. Hoe kan die trailer nou uit het raam zijn geval­len?”

Tonke haalt haar schouders op.

“Hoe moet ik dat nou weten?”

Maar er loopt weer een rilling langs haar ruggen­graat.

“Gooi maar gelijk weg, mam, en maak hem vooral niet open,” zegt ze en deze keer doet haar moeder wat ze vraagt, zonder eerst ruzie te maken.

INHOUD

 

1. Die laatste hindernis

2. Niets te lachen

3. Een kaart van Aafje

4. Leven in de mini-manege

5. Ik krijg jou nog wel

6. Vakantiefoto”s

7. In galop

8. De reuzen van Drente

9. Op de vlucht

10. Een reus in de trailer

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1. DIE LAATSTE HINDERNIS


Achterover zitten, hakken naar beneden,” gilt Belle Grondelle door de microfoon.

Mevrouw Grondelle is de eigenares van de manege. Ze wordt door de meeste kinderen tante Belle genoemd.

Tante Belle zet de muziek zachter.

“Pak die teugels op. Laat hem niet naar beneden gaan met zijn hoofd.” Tante Belle heeft een licht Amerikaans accent. Haar stem klinkt luid door de microfoon.

De manegepony’s Doenja en Carol schrikken ervan. Ze stuiven even van de hoefslag af.

U heeft makkelijk praten, tante Belle, denkt Tonke. Het is hartstikke moeilijk om op Taman te blijven zit­ten als hij begint te bokken. Toch probeert ze haar gewicht naar achteren te brengen.

Voor Taman is dit een nieuwe uitdaging. Hij blijft heel even staan om adem te halen. Dan springt hij niet vier stijve benen recht omhoog. Tonke komt helemaal uit het zadel. Haar knieën zijn los. Ze heeft nog maar één voet in een stijgbeugel.

Als Taman neerkomt, wordt ze teruggekwakt in het zadel. Tonke klemt haar lippen op elkaar. Nu gaat het pas echt komen, weet ze. Taman duikt ineens met zijn hoofd naar beneden. Bokkend springt hij naar voren.

Tonke maakt een koprol door de lucht en komt op

haar billen in het zand terecht. Meteen krabbelt ze weer overeind.

“Tjee, wat een rodeo,” zegt Jochem. Hij klinkt een beetje jaloers. Jochem rijdt altijd op Carol en dat is net een mak schaap.

“Ruilen?” vraagt Tonke. Ze slaat het zand van haar kleren.

Jochem schudt zijn hoofd.

“Heb je je pijn gedaan?” vraagt Nadia.

Nadia is Tonkes beste vriendin. Zij rijdt vandaag op Doenja. Meestal moet één van hen tweeën op Taman rijden. Zij zijn namelijk de besten van de groep. Nou ja, op Ellen na dan. Maar die telt niet mee, omdat zij een eigen pony heeft.

“Welnee,” zegt Tonke. Maar ze wrijft toch even over de zere plek op haar heup.

“Je moet weer trakteren,” zegt Ellen. “Het is de derde keer al deze maand dat je eraf valt. Kom nu maar met iets bijzonders. Kroketten of zo.”

Tonke steekt haar tong uit. “Wat flauw. Ik ben vege­tarisch, dat weet je heus wel. Ik trakteer op dropsleu­tels. Als je dat niet goed genoeg vindt, dan krijg je niks.”

Ellen haalt haar schouders op. Ze laat Corrado aan­draven. De schimmel heeft azuurblauwe bandages om zijn voorbenen. Hij maakt een prachtige ronde volte. Zo kan iedereen het, denkt Tonke. Papa koopt een dure Z-pony voor je. Hij steekt je in de mooiste kle­ren. Hij zorgt ook nog voor privélessen. En hup, je bent de beste van de manege.

Wiebe, de stalknecht, heeft intussen Taman gevan­gen. Niet dat er veel te vangen was.

Taman stond braaf in de hoek. Dat doet hij altijd als hij zijn ruiter kwijt is. Het lijkt net of hij er voor straf heen is gestuurd.

Wiebe brengt hem naar het midden van de bak. Hij helpt Tonke met opstijgen.

“Bouw maar even wat hindernissen,” zegt tante Belle tegen Wiebe. “Je bent er nu toch.”

Ohoh, denkt Tonke, ik wil helemaal niet springen! Ze had gedacht dat de les al was afgelopen.

Tonke is behoorlijk geschrokken van haar val van Taman. Maar dat kan ze niet zeggen. Ze wil zich niet laten kennen. Zeker niet tegenover die over haar pony getilde Ellen.

Het volgende halfuur bokt Taman niet één keer.

“Zo ben je braaf,” zegt Tonke als ze over de dubbel­sprong zoeven.

Even later laat ze Taman over de hoefslag stappen. Hij krijgt de lange teugel.

Einde les, ik heb Taman weer overleefd, denkt Tonke opgelucht. Wat jammer toch van deze pony. Hij kan zo goed springen. in dressuur is hij trouwens ook een kanjer. Maar wat een rotkarakter heeft hij meegekregen.

“Bouw maar een parcoursje, Wiebe,” zegt tante Belle. Ah nee, hè, denkt Tonke.

De les is volgens de klok al lang afgelopen. Maar tante Belle houdt zich niet aan lestijden of aan de klok.

De manegelessen lopen soms wel een uur uit. Tante Belle vraagt daar geen extra geld voor.

Ze is niet zakelijk, vindt Tonkes vader.

Tonke rijdt al twee jaar op de manege. Haar ouders hebben nog nooit een cent hoeven te betalen.

“Ik stuur u een rekening,” zei tante Belle toen Tonkes vader na de eerste les met zijn portemonnee klaarstond.

Die rekening moet nog steeds komen.

Wiebe sleept zuchtend met staanders, balken en balen stro. Na tien minuten heeft hij zes hindernissen gebouwd. De dubbelsprong telt voor één hindernis.

“Zet er nummers bij,” zegt tante Belle. “Iedereen moet hetzelfde parcours springen. Dan weet je pas wie de beste is.” Tante Belle doet alsof het een echte wedstrijd is. Ze heeft jarenlang in Amerika gewoond. Daar organiseerde ze bijna elke week een wedstrijd, heeft ze verteld.

De ruiters moeten met hun pony”s buiten de bak op hun beurt wachten. Ze kunnen het parcours wel zien vanuit de gang.

Jochem wordt als eerste binnengeroepen.

Hij laat Carol in draf over de hindernissen gaan. De derde hindernis is een sprong over twee strobalen. Daar weigert de zwarte pony.

“Geef “nl met de zweep,” roept tante Belle door de microfoon. Ze trekt opgewonden aan haar lange sigaret. Ze zoekt een nieuwe cd uit. Marsmuziek, deze keer.

Tante Belle gelooft in de goede invloed van muziek op paarden. Rustige, klassieke muziek om ze te kal­ meren. Marsmuziek om ze wakker te maken.

In de stallen staat de hele dag de klassieke zender op. Totdat tante Belle even weggaat. Dan rent Wiebe naar de radio om een popzender uit te zoeken. Hij mest veel liever stallen uit met housemuziek.

“Geef “m ervan langs,” roept tante Belle boven de Radetzkymars uit.

Jochem aait Carol met de zweep over zijn achter­werk. Carol begint naar achteren te lopen in plaats van naar voren.

Jochem zet zijn hakken in de buik van de pony. Ook dat helpt niet.

Carol blijft achterwaarts lopen. Met zijn dikke bil­len drukt hij de tweede hindernis omver.

“Een weigering is drie strafpunten. Je krijgt er ook nog vier voor de tweede hindernis. Die heb je omver­gelopen,” zegt tante Belle. “Zeven strafpunten op de eerste drie hindernissen. Dat is niet best, jongen. Wiebe, doe er wat aan.”

Wiebe rent met een zweep achter Carol aan. De pony gaat weer naar voren. Hij springt nu direct over de strobalen heen.

“Hoe kan hij nou nog een fout op hindernis twee krij­gen?” vraagt Nadia zich af. “Hij had die toch al fout­loos gesprongen?” Ze aait Doenja over haar hals en kijkt de andere meisjes aan.

“Dat zijn nu eenmaal de regels van tante Belle,” zegt Tonke en ze trekt een gek gezicht.

Dan wordt Ellen naar binnen geroepen.

Ze is in de gang op haar pony blijven zitten.

Corrado, haar prachtige schimmel, heeft al die tijd braaf stilgestaan.

Het lijkt wel een robotpony, denkt Tonke. Hij doet geen stap verkeerd. Hij is nooit vies of vals. Op stal poept hij zelfs netjes in één hoek.

Corrado springt soepel over alle zes de hindernis­sen. Dan komt hij rustig in de gang terug.

De witte ruin hijgt zelfs niet een beetje. “Vierenveertig seconden,” zegt tante Belle door de microfoon.

Ellen draait zich verontwaardigd om.

“U heeft niet gezegd dat het op tijd zou gaan,” roept ze. “Anders had ik wel twee keer zo snel kunnen gaan. Nu wilde ik alleen maar foutloos rijden.”

Tante Belle hoort haar natuurlijk niet. Ze zit achter het glas en roept door de microfoon Tonke binnen.

Eindelijk heb ik de kans om van Ellen te winnen, denkt Tonke en ze rijdt de bak in.

Ze klopt Taman op de hals.

“Jij wilt toch ook van die stomme Ellen winnen? Laat dan maar eens zien wat je kunt.”

Taman galoppeert aan op de eerste hindernis, een stijlsprongetje. Hij springt er ruim overheen, veran­dert van galop en neemt de tweede hindernis. Twee tonnen met gekruiste balken ertussen. Dan gaan ze af op de derde, de strobalen. Ook hier springt Taman met groot gemak overheen.

“Zie je wel dat je het goed kunt?” zegt Tonke tegen het paard. “Als we zo doorgaan, dan winnen we. Ga door, Taman.”

Taman zet aan voor de dubbelsprong en springt soepel over de eerste, een galopsprong en dan over de

tweede.

Tonke wil Taman aansporen voor de laatste twee

hindernissen. Ze zijn veel sneller dan Ellen en Corrado. Dat weet ze zeker! Ze zet haar hakken flink

in de buik van haar paard.

Dat roept bij Taman verzet op. De vijfde hindernis

springt hij nog met stijve benen. Maar net voor de laatste sprong, een oxer met veel balken, staat hij

ineens stil.

Tonke wordt voorovergegooid. Ze klampt zich vast

aan de hals van haar paard.

Taman duikt met zijn hoofd naar beneden. Hij bokt

vreselijk hoog.

Tonke wordt met een grote boog naar voren gesme‑

ten.

Ohoh, denkt Tonke nog als ze door de lucht vliegt.

Ze hoort een doffe bonk en daarna knapt er iets. Een scherpe pijn in haar rug. Dan voelt ze niets meer. Ze is bewusteloos.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2. NIETS TE LACHEN

 

Tonke drukt op het belletje naast haar bed. Ze hoort haar moeder de trap oprennen.

“Nou zeg, je hoeft toch niet elke seconde te bellen? Je hebt meer aandacht nodig dan toen je een baby was. Ik heb ook mijn eigen dingen, hoor. Nou, wat is er nu weer?” Moeder is nog buiten adem van het traplopen.

Tonke is beledigd. Ze heeft haar moeder het afge- lopen uur pas drie keer laten komen.

Eén keer omdat ze het te warm had. Het is buiten snikheet en ze had wel twee dekens op bed. Eén zo”n ziekenhuisdeken is echt wel genoeg!

En een keer omdat ze dorst had. Logisch met die hitte.

En een keer omdat ze het idee had dat haar teen had bewogen! Het is een teken van vooruitgang als je die weer kunt bewegen, heeft de dokter gezegd.

Maar zelf kan ze haar tenen niet zien met de dekenboog over haar voeten.

“Ik moet plassen,” zegt Tonke. “En ik bel alleen als het echt nodig is. Maar als het niet uitkomt, ga dan maar weer. Ik hou het wel op. Het maakt niet uit of mijn blaas knapt.”

“Hou toch op met je gezeur. Ik zou zo met je willen ruilen, hoor. Heerlijk, de hele dag in bed.”

“Nou, ik zou ook met jou willen ruilen, hoor. Het lijkt mij toevallig heerlijk om te kunnen lopen. Of om alleen maar te kunnen zitten. Of te fietsen of te zwemmen. Of paard te rijden.”

“Paardrijden? Ben je gestoord of zo? Jij komt nooit meer op een paard. Dat beest heeft je bijna de dood ingejaagd.”

Tonke zegt maar even niks meer.

Het ongeluk is al weer bijna zes weken geleden. Wat er direct daarna is gebeurd, kan ze zich niet herinne­ren.

Ze is natuurlijk met een ambulance naar het zie­kenhuis gegaan. Met spoed geopereerd.

Haar tweede lendenwervel bleek verbrijzeld te zijn. Ze hebben een botje uit haar heup gehaald om de zaak vast te zetten.

Daar heeft ze dus een litteken.

Ze had verder overal butsen, builen en blauwe plekken. Vier weken heeft ze in een gipsen corset gelegen. Ze had ook nog een hersenschudding, dus ze moest heel rustig met haar hoofd doen.

Nu zijn de butsen en builen verdwenen.

Het gipsen corset is vervangen door een corset van kunststof.

Van de hersenschudding heeft ze nog steeds last. De hele dag door heeft ze hoofdpijn, maar het wordt al iets minder als ze zich rustig houdt. Ze kan zich alleen nog niet goed concentreren.

Het ergste is dat ze verlamd is.

“Tijdelijk, hoor,” zei de neurochirurg van het zie­kenhuis. “Langzamerhand komt het gevoel in je benen weer terug. Je moet geduld hebben.”

Tonke heeft geen geduld. Ze wil weer normaal kunnen zitten. Zelf onder de douche gaan in plaats van gewassen te worden door haar moeder. Zelf naar de wc gaan in plaats van op die vervelende steek. Zelf kunnen lopen, rennen, paardrijden!

Natuurlijk gaat ze weer paardrijden als ze beter is. Maar dat zegt ze nog niet tegen haar moeder. Tegen de tijd dat ze weer alles kan, is het vroeg genoeg om met haar moeder over paardrijden ruzie te maken. En dat wordt zeker na de vakantie.

Shit, het is vakantie, iedereen heeft vakantie.

Ellen gaat met haar pony Corrado naar Portugal, op paardentrait. Twee weken trekken door spannende, wilde gebieden.

Niet met een rugzak en een tent hoor, zij niet. Geslapen wordt er in luxe hotels en haar bagage wordt achter haar aan gebracht.

Corrado wordt per vliegtuig vervoerd, onbetaalbaar volgens Nadia. Duizenden guldens!

Ellen is in het ziekenhuis op bezoek geweest. Ze had een leuke binnenkomer, maar niet heus.

“Nu hebben we nog twee keer trakteren van je te goed, haha.”

“Hier, je mag m”n ziekenhuiseten wel hebben,” had Tonke gezegd en ze had haar bordje met afgekloven fruit aan Ellen gegeven.

Ellen had geschrokken een stap terug gedaan. “Het was maar een grapje, hoor.”

Ze had een enorm cadeau voor Tonke meegeno­men: een paardentrailer voor in haar mini-manege.

Al kwam het cadeau van stomme Ellen, toch was Tonke er blij mee geweest. Ze had wel haar oren dichtgestopt toen Ellen over Portugal begon op te scheppen.

Arme Corrado, had ze gedacht. Alleen om Ellen een plezier te doen, moet hij helemaal in zijn eentje met het vliegtuig mee. En daarna moet hij zich twee weken de blubbers lopen. Dat is toch geen vakantie voor een pony!

Ellen verdient die pony gewoon niet. Ze is veel te veel verwend door die rijke vader van haar en ze heeft nooit geleerd aardig voor dieren te zijn. Krijgt Corrado ooit een appeltje na de les? Nee. Wortels? Nooit! Suikerklontjes? Ben je gek geworden!

“Ik houd niet van bedelaars,” zegt Ellen als Tonke of Nadia hun pony”s na de les iets lekkers toestoppen.

Nadia is elke dag in het ziekenhuis op bezoek geweest en nu komt ze bijna elke middag wel even langs. Maar haar vriendin gaat binnenkort ook op vakantie. Ze mag naar ponykamp.

En zij, Tonke? Zij ligt de hele vakantie op bed.

Tonke zapt al een paar minuten alle kanalen door. Herhaalde herhalingen, denkt ze. Bah.

Tonke kijkt normaal bijna nooit tv. Na school speelt ze altijd even met Duimelot, hun katje. Soms leest ze een paardenboek.

Het laatste heette “Barrage”. Dat vond ze mooi. Maar de paarden in het boek waren een stuk minder wild dan Taman.

“De pony”s van de manege lopen te weinig,” had

Wiebe gezegd toen hij in het ziekenhuis op bezoek was. “Taman loopt misschien maar twee keer per week. Tante Belle heeft gewoon te veel pony”s voor het aantal klanten. Ze moet er een paar verkopen.”

Lezen gaat moeilijk. Eerst moet het bed omhoog komen, zodat ze kan zitten. Daar is een speciale knop voor.

Dan moet ze het eettafeltje over het bed schuiven en het boek erop leggen. Het boek ligt natuurlijk onder het bed, of aan het voeteneind. Dus moet ze eerst haar moeder bellen om het boek te pakken. Die wordt dan kwaad, dus volgt er een ruzie van tien minuten. Over waarvoor ze wel en waarvoor ze niet mag bellen.

En als ze dan eindelijk kan gaan lezen, is ze moe. De letters dansen voor haar ogen en haar hoofd begint pijn te doen.

“Dat wordt heus wel beter,” heeft de verpleegster in het ziekenhuis beloofd. “Over een paar weken heb je geen last meer van je hersenschudding.”

Werk voor school maken kan niet omdat het vakantie is. En laat ze daar nu net zin in hebben! Zelfs een staartdeling lijkt haar het einde.

De meester kan niet langskomen om haar sommen te brengen. Hij gaat naar Frankrijk op vakantie, met de tent en zijn nieuwe vriend.

Ze is benieuwd of ze de kaart krijgt die hij heeft beloofd.

Hoeveel kaarten heeft ze nu bij elkaar gekregen? Vierenzestig.

Hoeveel paardenhoofden staan er op het behang?

Eh, zeshonderd tweeëntachtig, maar het kunnen er ook vijfhonderd achtennegentig zijn. Dat telde ze de laatste keer.

Elke keer als ze ze probeert te tellen, is er een andere uitkomst. En meer hoofdpijn.

Eergisteren heeft ze zoveel mogelijk titels van lied­jes bedacht. Ze kwam op zesentwintig, die ze uit haar hoofd achter elkaar kon opzeggen.

Maar niemand wilde ze allemaal horen. Ze wilde ze ook niet eens meer opzeggen, want ze had al weer pijn in haar hoofd.

Gisteren heeft ze de hele ochtend gehuild. Ook daar kreeg ze hoofdpijn van.

Tonke kan dus gerust zeggen dat ze hoofdpijn krijgt van alles en iedereen.

In het ziekenhuis is haar ook voorspeld dat ze hoofdpijn zou krijgen als ze hard zou lachen. Gelukkig hoeft ze daar niet bang voor te zijn. Er valt echt niets te lachen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3. EEN KAART VAN AAFJE

 

Tonke draait haar hoofd heel voorzichtig om.  Maar weer even naar links kijken voor de veran­dering, denkt ze.

Ah, uitzicht op het raam! Helaas kan ze niets zien van wat er buiten gebeurt.

Ze kan niet zien hoe Duimelot bijna elke dag een keer de boom inklautert.

Duimelot is vier maanden oud. Het is een siamees. Lichtbeige van vacht met bruine uiteinden aan de staart, de poten en de oren.

Duimelot is op ontdekkingsreis. Dus klimt hij steeds in de oude eik voor hun huis. Daar, boven in de boom, kan hij de wereld goed overzien. Als hij klaar is met zijn reis, ontdekt hij pas dat hij niet naar beneden durft.

Tonke haalde hem altijd graag uit de boom. Spannend vond ze dat.

Nu moet Tonkes moeder hem eruit halen met de grote ladder, en zij heeft hoogtevrees.

Tonke kan alleen maar raden wat zich dan afspeelt. Hoe haar moeder met trillende knieën naar boven klimt en Duimelot van een tak afplukt.

Dat ze boos tegen hem zegt: “Foei, je bent heel stout. Je weet toch dat je niet uit de boom durft te klimmen? Ga er dan ook niet in!”

Nee, niets van dit alles kan Tonke vanuit haar bed zien.

Het enige dat zij wel kan zien is de blauwe lucht en een vogelpoepje op de ruiten.

De hele vakantie in bed, denkt Tonke ongelukkig. En misschien wel veel langer!

Daar is toch niet doorheen te komen voor iemand zoals zij?

Normaal is ze altijd in beweging.

s Morgens om zes uur springt ze meestal al uit bed. Het eerste dat ze doet is Duimelot te eten geven. Hij slaapt, nee sliep, altijd op haar kamer.

Dat mag nu niet meer. Als Duimelot onder de dekens kruipt, kan ze hem niet pakken.

Hij zou kunnen stikken zonder dat zij er iets aan kan doen.

Maar goed, daar had ze het nu niet over. Ze had het over het begin van de dag.

Oké, eerst krijgt Duimelot zijn brokjes.

Dan maakt ze ontbijt klaar voor pap, mam en Marcel, haar grote broer.

Pap is de eerste die beneden komt. Met zijn ogen nog halfdicht drinkt hij sterke, zwarte koffie.

Die heeft Tonke speciaal voor hem gezet.

De anderen drinken “s morgens thee.

Dan verdwijnt pap onder de douche.

Een paar minuten later komt Marcel de keuken in. Hij werkt minstens drie borden cornflakes naar bin­nen. Zelfs voor een puber eet hij idioot veel. Dat vin­den pap en mam tenminste. Maar Marcel doet veel aan sport. Hij is geen gram te zwaar.

Een nerveuze jongen, noemt de dokter hem.

Nerveuze mensen verbranden veel, zegt ze. Haar, Tonke, vindt ze eerder een levendig kind.

Hun dokter is de ene keer dik, de andere keer dun. Toen ze een paar dagen geleden op visite kwam, was de dokter topzwaar.

“Ik moet een dieet adviseren,” had ze tegen moeder gezegd. “Tonke verbruikt helemaal geen energie als ze in bed ligt.” Als zijzelf niet kan snoepen, mag ik het ook niet, had Tonke gedacht, maar ze had dit maar niet gezegd.

Wat ze wel mag eten volgens de dokter?

Een boterham met pindakaas “s morgens. “s Mid­dags een boterham met kaas. Een gewone warme hap “s avonds met de anderen mee. Geen frisdrank, geen snoep. Wel fruit, maar geen bananen.

Hoe kan ze nou zo lang zonder bananen? Zonder chocopasta of vlokken op haar brood? Zonder ijs met slagroom, marsen, twixen, brosrepen, melkrepen, witte repen en drop? Wat? Ook geen drop meer?

“Nee, zeker geen drop, Tonke. Veel te zout. We moeten uitkijken dat je geen vocht vasthoudt, al die tijd dat je in bed ligt.”

Geen drop meer! Geen katjes, munten, veters, biel­zen, sleutels.

IJ kunt me net zo goed gelijk doodschieten,” had Tonke gezegd.

Dat had de dokter een heel rare opmerking gevon­den.

“Wat zijn nou een paar maanden op een heel leven?” had ze gezegd.

“Wat maakt een beetje te dik of te veel vocht nou

uit?” had Tonke gevraagd. “Ik heb toch nog een heel leven voor me om daar weer van af te komen?”

De dokter was beledigd weggelopen. Ze zou pas weer terugkomen als Tonke normaal kon reageren. Ze had wel iets beters te doen dan brutale patiënten aan te horen.

Nou, Tonke niet. Tonke heeft niets beters te doen dan brutaal te zijn. Ze heeft verder helemaal niets te doen. Ze kán helemaal niets doen!

“Leer dan breien of borduren,” had Marcel gisteren gezegd, toen ze erover klaagde. “Borduur een kussen met een paardenhoofd of zo. Dan ben je wel een jaar onder de pannen.”

Tonke was boos geworden. “En leer jij je band maar eens zelf plakken,” had ze pinnig gereageerd.

Tonke is de enige van het gezin die fietsbanden kan plakken. Ze plakt ze van Marcel en ook die van pap.

Haar moeder heeft geen fiets, die doet alles met de auto.

Marcel komt elke dag een kwartiertje bij haar zitten. Dat is toch aardig van hem, ook al moet hij van mam.

Hij praat dan alleen maar over zichzelf. Over wat hij op school heeft uitgevreten. Hij schijnt daar zo stoer te zijn! Een grote mond tegen de conrector. Een groot gevecht met een jongen uit de examenklas. Nou, voor een brugpieper is hij echt berestoer, hoor!

Tonke gelooft natuurlijk niets van zijn verhalen. Maar ze kan nu bij niemand navragen of hij liegt. Dus moet ze alles slikken wat hij zegt.

En zelf heeft ze niets te vertellen. Er gebeurt hele­maal niets in bed.

Spelen kan ook niet. Normaal speelt ze altijd met haar mini-manege. Maar je kunt niet met speelgoed­paarden spelen als je plat in bed ligt.

Of kan dat wel?

In de hoek van haar kamer staat een complete mini­manege.

Voor de paarden is er een weiland met hekken eromheen. Elk paard heeft een eigen box.

Er is ook een spuitplaats met een tuinslang. Een zadelkamer en een hooiberg. En natuurlijk een bui­tenbak. Daar kunnen ze hindernissen neerzetten.

De manege is een uit de hand gelopen sinterklaas­surprise van pap en Marcel geweest. Marcel had de manege gefiguurzaagd. Papa had de hele zaak geschilderd.

Het cadeautje dat bij de surprise hoorde, mocht ze uit de hooiberg plukken. Daar waren twee poppen in verstopt.

Tonke was heel blij met de manege. Blijer nog dan met de poppen, want ze heeft er al veel.

Ze heeft toen ook een speelgoedsportwagen gekre­gen, waar ze heel blij mee was.

Er is nu trouwens ook een rijtuig voor de speel­goedpaarden te koop in de winkel, weet Tonke. Misschien een cadeau omdat ze zo zielig is? Het is wel heel duur! Zouden opa en oma niet snel weer op bezoek komen?

Tonke heeft een manege vol prachtige paarden.

Sommige zijn van stof, de meeste van plastic. Zoals de schimmel Quickstep en Kiko, de zwart­bonte, of de Appaloosa Dexter. En niet te vergeten de kastanjebruine Marron.

Marron is van Shanna, die van een nieuwe serie poppen komt. Het leuke is dat je alles aan haar kunt buigen. De oude poppen hebben stijve benen. Die kunnen niet goed op een paardenrug worden gezet.

Samen met Nadia speelt Tonke vaak manegetje.

Nadia neemt meestal een of twee speelgoedpaarden en poppen van haarzelf mee. Eerst overleggen ze welkepoppen in de les mogen meedoen. Vervolgens verdelen ze de paarden.

Elke keer moeten de poppen op een ander paard. Dan leren ze beter rijden. Shanna, bijvoorbeeld, wil altijd op Marron. Ze is bang voor de andere paarden. Maar daar zijn Nadia en Tonke niet zo voor.

Shanna kan alleen over haar angst heen komen als ze leert dat andere paarden ook braaf zijn.

De mannenpop Brad mag wel altijd op de Friese hengst Oedse. Hij is zwaar en heeft een sterk paard nodig.

Zack geeft les. Zack is de tweelingbroer van Brad. Ze zijn precies hetzelfde; alleen, Brad heeft een baard.

Als Shanna in de les is, dan mogen de jongenspop­pen Timmy en Jimmy ook meerijden.

Tonke en Nadia halen de paarden dan van stal. Ze worden vastgezet aan het hek van de buitenmanege.

De poppen moeten dan hun paarden poetsen en opzadelen.

Meestal mogen de kinderen alleen dressuur rijden. Ze zijn nog niet goed genoeg om te kunnen springen. Cavaletti lopen mag wel.

Dan leggen Tonke en Nadia vier balken achter elkaar in de buitenbak. De paarden moeten erover­heen draven.

Jimmy valt heel vaak van zijn paard af. Het maakt niet uit op welk paard je hem zet. Hij is gewoon heel wild.

Maar hij heeft nog nooit wat gebroken.

Hij kan goed vallen, want hij zit op judo. Samen met Timmy.

Hè, verdorie, denkt Tonke ineens.

Shanna en Marron liggen in de buitenbak op hun zij. Ze zijn omgevallen. Dat is heel vervelend.

Ze drukt op het belletje.

Haar moeder komt er al snel aan.

“Wat is er? Moet je alweer plassen?”

“Nee, je moet Shanna en Marron even rechtop zet­ten. Ze zijn omgevallen in de buitenbak.”

Haar moeder kijkt zwaar beledigd.

“Shanna en Marron rechtop zetten? Voel jij je wel lekker? Je roept me toch niet omdat er een speelgoed­paard is omgevallen? Vanmiddag komt Nadia. Vraag haar maar of ze je speelgoedpaard rechtop wil zetten. Ik ga de was nu ophangen. De echte was!”

Haar moeder rent de kamer uit. Even later komt ze terug.

“0 ja, er is post voor je. Een kaart uit Drente.”

Tonke grist de kaart uit haar moeders handen. Het is een ansicht met allemaal fotootjes van paarden. Een Belgisch trekpaard voor een grote huifkar. Een bonte pony voor een open wagentje en een Fjord voor een kar.

Achterop staat: “We missen je echt. Het is hartstik­ke leuk. Volgend jaar gaan we weer. Hopelijk kun je dan wel mee. Veel liefs en beterschap van tante Merel en oom Klaas.”

En daaronder de woorden: “brief volgt” en kruisjes van Aafje, haar nichtje.

Ernaast een getekend zonnetje van ene Bianca. Het meisje dat haar plaats heeft ingenomen op de huifkar-tocht!

Een paar maanden geleden hebben tante Merel en oom Klaas haar gevraagd of ze mee wilde op huifkar-tocht. Zij hadden namelijk geen verstand van paar­den.

Tonke wel, dus… En ze kon goed opschieten met Aafje die, net als zij, tien is, dus…

Natuurlijk wilde Tonke mee. Spannend, een huif­kartocht!

Maar dat is dus niet doorgegaan door haar ongeluk. Anders had ze nu op de bok gezeten in plaats van op haar bed gelegen. Dan had ze de blauwe lucht recht boven zich gehad en dan had ze de zon op haar arm voelen branden.

Het schijnt wel dertig graden te zijn buiten. Nou, binnen is het wel zestig graden.

Nu hebben tante Merel en oom. Klaas een vriendin van Aafje mee gevraagd.

Gut, wat fijn voor dat meisje!

Bianca heeft ook verstand van paarden, heeft tante Merel al eerder geschreven, want Bianca rijdt op een manege.

Wat fijn toch voor Bianca dat ze zoveel paarden­verstand heeft!

Hoe lang rijdt ze al op de manege? Heeft ze wel eens een paard gepoetst? Of een stal uitgemest? Leest ze ook elk boek in de bibliotheek dat iets met paarden te maken heeft?

Tonke gooit de kaart van het bed af.

Ze hoeft niets te weten van de leuke vakantie van Aafje en Bianca.

Een brief van Aafje hoeft ze ook niet. Wat heeft ze nou aan een brief?

Wanneer komt Nadia nou eens”? Is het nog niet één uur?

Als haar vriendin er straks is, dan gaan ze met de manege spelen, besluit Tonke. Ze kunnen samen ver­zinnen wat er gebeurt en Nadia kan de poppen bewe­gen.

Voortaan speelt ze alleen nog maar manegetje. De mini-manege is Tonkes wereld, die kan ze tenminste zien.

Wat er in de buitenwereld gebeurt, weet ze alleen maar van horen zeggen of eh… schrijven. Ze kunnen haar wel van alles op de mouw spelden. Ze kan toch niet met haar eigen ogen zien of het allemaal klopt.

Nee, ze wil niets meer horen over die stomme bui­tenwereld, ze heeft haar eigen wereld!

 

 

 

4. LEVEN IN DE MINI-MANEGE

 

Tonke kijkt peinzend naar de manege. Ze verzint

1 alvast wie er straks in de les mogen rijden. Dan kunnen ze direct beginnen als Nadia er zo meteen is.

Dan mag eh… Kelly weer eens in de les rijden. Maar niet in de buitenbak. Daar liggen Shanna en Marron nog steeds op hun zij.

Kelly mag buiten rijden, samen met Brad. Nee, samen met Zack.

Zack is nu op Kelly, want Kelly is de nieuwste pop. Ze heeft prachtige, lange, blonde haren. Ze kreeg haar van haar klas. Ze heeft ook kleren voor Kelly gekregen. Rijkleding natuurlijk, maar ook strandkle­ding en een baljurk!

Gelukkig passen die kleren ook op alle andere pop­pen, want Tonke vindt zo”n baljurk niets voor Kelly.

Als Kelly met Zack naar een feestje gaat, dan doet ze gewoon een spijkerbroek en een leuk T-shirt aan.

Voordat ze Kelly had, was Zack op Brenda. Maar Tonke heeft Brenda een paar keer mee in bad geno­men en nu mist ze nogal wat haren op haar voor­hoofd. Ze is dus niet meer zo mooi. Tonke tuurt naar haar manege. Waar is Kelly?

0, ze zit in de sportwagen. Die staat voor de stal­len, naast de trailer.

Brenda zit naast Kelly in de auto. Nee, Brenda mag niet mee. Kelly en Zack gaan samen naar buiten. Dan kunnen ze misschien een keer zoenen.

Tonke en Nadia laten de poppen nooit zoenen als de andere poppen het kunnen zien. Dan worden zij

jaloers.

Welke paarden geeft ze mee aan Kelly en Zack? Zack rijdt natuurlijk op Oedse, de grote Fries en

Kelly…

Tonke kijkt even in de wei, waar de paarden staan. Kelly mag op… eh ze mag op…

Tonke bekijkt alle paarden en denkt diep na, ze

denkt heel diep na.

Zal ze haar Quickstep geven?

Nee, dat is niet zo”ngoede combinatie. Kelly heeft heel lang, blond haar en Quickstep is een schimmel. Dat is niet mooi bij elkaar.

Trouwens, Quickstep loopt een beetje vreemd. Zou hij kreupel zijn of heeft hij zich alleen maar even ver‑

stapt?

Tonke knijpt haar ogen samen om Quickstep beter te kunnen zien. Is hij nou kreupel of niet?

Ze tuurt en probeert met haar blik de manege en het weiland naar zich toe te trekken, om alles beter te

kunnen zien.

Ze trekt de manege naar zich toe, ze trekt de mane‑

ge naar zich toe…

Ineens kijkt Tonke niet meer naar de wei. Ze is in de

wei.

Het gras is zacht onder haar voeten. Het ruikt ook echt naar gras. Heeft het net geregend?

Vlak bij Tonke staat Quickstep te grazen. Ze loopt

naar hem toe. De schimmel heft even zijn hoofd op en gaat dan door niet grazen.

“Doe eens een paar stappen,” zegt Tonke.

Quickstep loopt even weg en komt dan terug. Hij snuffelt aan Tonkes handen. Gelukkig is hij niet kreu­pel, denkt Tonke.

Het is ook zo moeilijk te zien vanaf het bed. Maar wat stom dat ze niets lekkers bij zich heeft. Ze voelt de zachte lippen van Quickstep op haar hand. Hij likt haar tussen haar vingers.

Tonke streelt de schimmel over zijn mooie hoofd en gaat dichter bij hem staan.

Nu ruikt ze hem ook. Hij ruikt naar paard in de zon en het weiland ruikt naar gemaaid gras.

Wat heeft ze die geuren gemist! In bed ruikt ze alleen maar wasmiddel, haar eigen zweet enpinda- kaas, fruit en warm eten.

Tonke gaat de wei uit en loopt naar de manege toe.

Ik hoop maar dat ik hier even kan blijven, denkt ze. Wat heerlijk om weer te kunnen bewegen. Ik haal een halster en wat paardensnoepjes. Dan pak ik Dexter uit de wei en dan laat ik Kelly op Dexter rijden.

In de zadelkamer vindt Tonke wat ze zoekt. Een voerbak met biks en de halsters van dep aarden.

Ze gaat weer terug naar de wei.

Brenda loopt een meter of tien voor haar.

“Jij mag morgen weer rijden,” roept Tonke. “Ga maar in de auto zitten.”

Brenda schijnt haar niet te horen. Ze loopt naar Satan, de Arabische hengst.

“Niet in de buurt van Satan komen, hoor Brenda. Hij is veel te gevaarlijk,” zegt Tonke. Brenda haalt

haar schouders op en loopt toch naar Satan.

Jeetje, wat is die eigenwijs, denkt Tonke. Satan is

echt niet te vertrouwen. Als klein veulentje is hij mis­handeld. Daarom vertrouwt hij nu niemand meer. Alleen Nadia en zij mogen hem aanraken.

Brenda doet Satan het halster om. Dat gaat nog

goed.

Ze wil hem meenemen, de wei uit.

Daar begint het gedonder al. Satan steigert hoog.

Hij trekt Brenda zo van de grond.

“Laat hem maar los, Brenda. Ik kom er al aan,” zegt

Tonke. Ze rent naar Brenda toe.

Brenda begint aan Satans halster te trekken.

“Kom mee, jongen,” zegt ze. “Ik ben heus niet bang

voor je.”

Maar Satan blijft stilstaan. Hij weigert een voet te

verzetten.

Brenda geeft hem met het halstertouw een tik tegen

zijn achterwerk.

“Niet doen,” wil Tonke nog zeggen, maar ze is te

laat.

Satan steigert nog een keer, maar nu veel hoger dan

de eerste keer. Met zijn voorhoeven maait hij door de

lucht.

Brenda moet wegspringen om zijn hoeven te ont-

wijken. Als ze op de grond komt, struikelt ze. Satan galoppeert weg, maar komt dan terugdraven. Hij kijkt

naar Brenda en ontbloot zijn tanden.

Brenda roept angstig: “Haal die knol weg. Help, ik

heb mijn enkel verstuikt.”

Tonke loopt naar Satan toe.

Hij wordt direct rustig als zij hem vastpakt. Voorzichtig doet ze hem het halster af. Ze klopt hem op de hals en zegt: “Rustig maar, hoor Satan. Je bent braaf Ga maar lekker spelen in het weiland. Jij hoeft niets te doen.”

Satan blijft nog even bij Tonke staan. Hij kijkt Brenda zuur aan. Als hij merkt dat Tonke verder niets van hem wil, gaat hij rustig grazen.

Tonke loopt naar Brenda toe. “Ik help je wel het weiland uit. Kun je opstaan?”

Brenda staat op één been op. Ze steunt een beetje op Tonke en hinkelt het weiland uit.

“Eh, de verbanddoos staat in de zadelkamer,” zegt Tonke als ze bij de manege zijn aangekomen. “Ga hier maar even op de stoel zitten.”

Brenda gaat met een pijnlijk gezicht op de stoel zitten.

Tonke verbindt de enkel van Brenda en zegt: “Wat jammer. Nu kun je niet paardrijden.”

Brenda kijkt haar boos aan. “Ik mocht toch hele­maal niet rijden”? Wat ontzettend flauw om Kelly met Zack te laten buitenrijden. Je weet toch dat ik op Zack ben”? Waarom doe je zo gemeen?”

Tonke wist helemaal niet dat Brenda op Zack was. Ze wist alleen dat Zack op Brenda is geweest. Omdat Nadia en zij dat zo hadden bedacht!

“Eh, is Kelly ook op Zack?” vraagt ze.

“Ja natuurlijk. Iedereen is hier op Zack. Ze probe­ren hem allemaal van mij af te pakken.”

“0.”

Tonke vindt dat Brenda wel erg overdreven reageert. Een simpel buitenritje van Kelly en Zack, wat maakt dat nou uit?

“Tonke, hé Tonke. Hallo, contact. Ik heb wat voor je meegenomen.”

Tonke heeft het idee dat ze naar buiten wordt gezo­gen. Alsof ze uit een diepe slaap ontwaakt, maar toch anders. Ze schudt haar hoofd even. Nee, hoofdpijn heeft ze gelukkig niet.

Dan pas ziet ze Nadia naast het bed staan.

“0, hoi Nadia. Ik geloof dat ik net heb liggen pit­ten,” zegt ze.

Nadia legt een stapel boeken naast Tonkes bed.

ijk ga je voorlezen. Ik heb een paar griezelboeken meegenomen. Leuk?”

“Nee,” zegt Tonke beslist. “Ik wil niet meer voorge­lezen worden. Ik wil geen tv kijken. Ik wil niets horen over de buitenwereld. Laten we met de manege spelen.”

“Maar hoe dan? Jij kunt toch niet uit bed?”

“We kunnen toch samen overleggen? Jij kunt de paarden en de poppen bewegen. Ik heb het net in m”n eentje gedaan. Leuk joh.”

“Wat heb je in je eentje gedaan?” Nadia loopt naar de bak toe. Ze zet Shanna en Marron overeind.

“Nou, gespeeld met de manege,” zegt Tonke. “In m”n hoofd. Kelly mag buiten rijden met Zack. Kelly mag op Dexter en Zack op de Fries.”

“Oké,” zegt Nadia en ze gaat bij de manege op de

grond zitten.

“Hé, Brenda heeft verband om haar enkel. Wat is er met haargebeurd? Heb je met iemand anders gespeeld?” vraagt Nadia.

“Ze heeft haar enkel toch verstuikt toen ze zo stom was om Satan…?” zegt Tonke en dan schrikt ze.

Hoe kan Brenda”s enkel nou in het verband zitten”? Ze heeft met niemand anders met de paarden gespeeld. Ze heeft alleen over de manege gefanta­seerd, toch?

Ach, misschien zat Brenda”s enkel al lang in het verband. Dat heeft Nadia de vorige keer natuurlijk gedaan. Ze is het gewoon vergeten.

Er worden zo vaak gewonden verzorgd op de manege. Paardrijden is best een gevaarlijke sport.

Nadia is het voorval al weer vergeten. Ze zet Dexter en de Fries aan het hek van de buitenbak. Ze heeft Marron op stal gezet.

Shanna mag nu in de sportwagen zitten, naast Brenda.

“Niet rijden hoor, je bent nog veel te jong,” zegt Nadia tegen de pop.

Al snel heeft Nadia de paarden gezadeld.

“Dexter moet nog worden aangesingeld,” zegt Tonke.

Nadia doet het meteen.

Tonke kan even niets bedenken wat ze Nadia kan laten doen. Daarom vraagt ze: “Wist jij dat iedereen op Zack was?”

“Hoe bedoel je iedereen?”

“Nou, Kelly en Brenda. Misschien Shanna ook, al

is ze nog erg jong.”

“Nee hoor. Kelly is op Zack en Brenda en Shanna zijn allebei op Brad. Dat hadden we toch afgespro­ken?”

“Alsof wij dat voor het zeggen hebben. Brenda heeft het me zelf verteld. Ze zijn allemaal op Zack. Omdat hij instructeur is natuurlijk.”

Nadia drukt de poppen op de paarden en zet ze op het pad naast de buitenbak.

Dat is de weg naar het bos.

“Je kunt helemaal niet met poppen praten,” zegt Nadia.

“Ik wel. Ik heb net met de poppen gepraat. Met Brenda. En als jij weg bent, ga ik met Kelly praten.”

Nadia springt op en grist haar rugzakje van de stoel.

“Ga jij maar lekker met je poppen praten, hoor. Ik kom niet meer. Je bent de laatste tijd helemaal niet aardig tegen mij. Jij weet alles beter. Ik kom te vroeg of te laat. De boeken die ik voorlees zijn niet goed. En nu praten de poppen ook al tegen je. Je zoekt het verder maar zonder mij uit.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5. IK KRIJG JOU NOG WEL

Nadia wil de deur uit lopen. “Sorry; roept Tonke. “Sorry, Nadia. Ga alsje­blieft niet weg. Het is zo afschuwelijk om maar in

bed te liggen en niets te kunnen doen. Ik, eh, ik fanta­seer af en toe maar wat, omdat…”

Tonke krijgt tranen in haar ogen. Als Nadia nu ook nog weggaat, heeft ze niemand meer!

Nadia gaat weer bij de manege zitten.

“Nou, hoe spelen we verder?” vraagt ze alsof er niets gebeurd is.

lij mag het zeggen,” zegt Tonke en met een zak­doek veegt ze de tranen uit haar ogen.

“Oké.”

Nadia zet hindernissen in de buitenbak.

“Ik vind dat Timmy en Jimmy wel eens mogen leren springen,” zegt ze. “Het is jammer dat ik mijn jongenspop niet bij me heb. Die moet morgen dan maar een privé-springles krijgen.”

“Zijn ze al aan springen toe, vind je?”

“Ja,” zegt Nadia. “Ze hebben al meer dan een jaar lang les.”

“Mag Shanna ook meedoen?”

“Nee,” zegt Nadia. “Die is de vorige keer in de bui­tenbak gevallen. Gelukkig is ze niet gewond. Maar nu is Shanna ook bang voor Marron. Ze durft helemaal niet meer paard te rijden.”

“Wat nu?” vraagt Tonke.

“We nemen haar straks aan de longe,” zegt Nadia. “op Quickstep, die doet geen pas verkeerd. Dan krijgt Shanna weer vertrouwen.”

“Oké,” zegt Tonke.

Ze kijkt hoe Nadia de paarden zadelt voor Timmy en Jimmy.

Daarna drukt Nadia de poppen op de paarden. Ze beweegt ze door de bak.

Eerst moeten de paarden over de hoefslag stappen en draven. Zo worden ze warm. Daarna moeten ze over gekleurde balken draven. Even later mogen ze over een hindernis springen.

Nadia zet ze veel te langzaam hoger naar Tonkes zin.

Tonke begint zich aardig op te winden in bed. Ze vindt er eigenlijk niets aan, aan deze duffe springles van Timmy en Jimmy.

Voor Nadia is het misschien nog wel leuk. Zij mag de paarden bewegen. Maar vanuit bed valt er niet veel te zien.

“Vind je niet dat Jimmy er een keer moet afvallen?” vraagt ze aan Nadia. “Kik° kan heel wild zijn. Hij gaat zo meteen heel smerig bokken, denk je niet? En dan valt Jimmy van Kiko af en dan gaat Timmy erop en die valt er ook af.”

“Kiko bokt helemaal niet,” zegt Nadia. “Hij is juist rustig. Daarom mag Jimmy op hem. Van andere paar­den valt hij altijd af, maar van Kiko niet.”

Tonke schudt wild met haar hoofd. Dat doet pijn,

maar daar trekt ze zich niets van aan. Er moet iets gebeuren met een van haar poppen.

“Oké, nou, dan valt Timmy toch. Midden in de hin­dernis. En dan moet hij met de ambulance naar het ziekenhuis. Omdat hij zijn rug heeft gebroken.”

“We hebben geen ambulance,” zegt Nadia.

“Dan gebruiken we de trailer toch?”

Maar dat vindt Nadia te onecht.

Tonke ligt met klamme handen in bed. Waarom kan ze verdorie niet echt meedoen? Waarom zit ze gevangen in haar bed?

Nadia geeft nieuwe instructies aan de ruiterpoppen.

“Timmy, bij C afwenden en dan ever de dubbel­sprong. Jimmy, je mag direct achter hem aan. Maar je moet wel uitkijken dat je niet te dicht op Timmy zit. Jimmy, hoor je me?”

Tonke houdt het niet meer en roept vanuit haar bed: “Ai, jammer, Jimmy, dat je ervan afgevallen bent.”

Ze kijkt Nadia doordringend aan.

Nadia laat Jimmy op de grond vallen.

Tonke gaat verder: “We hadden toch gezegd dat je niet te dicht op Timmy moest zitten. Nu heb je een klap van zijn paard te pakken. Nou, als ik het goed zie heb je een gebroken been. Je moet naar het zie­kenhuis, knul. Goh, we hebben geen ambulance. Nou, dan brengen we je wel met de trailer.”

En dan zegt Tonke tegen haar vriendin: “Je kunt iemand met een gebroken been best met de trailer vervoeren, hè Nadia?”

Nadia legt Jimmy in de trailer. Nee, ze legt hem er

niet in, ze gooit hem erin! Zo ga je toch niet om met iemand met een gebroken been?

“Voorzichtig toch,” zegt Tonke.

“Ik ga naar huis,” zegt Nadia en ze staat op. “Kom je vanavond nog?”

Nadia schudt haar hoofd.

“Morgen misschien, als ik klaar ben met inpakken voor ponykamp” zegt ze. “Maar dan neem ik m”n eigen poppen en paarden mee. Want zo vind ik er niet veel aan.”

Welja, ga maar weer, denkt Tonke, laat me maar weer alleen.

Ze zegt geen gedag als Nadia afscheid neemt.

Het kan haar vriendin natuurlijk weer niets schelen dat Jimmy daar met een gebroken been in de trailer ligt.

Die arme jongen! Misschien moet hij wel worden

geopereerd. Hij moet in elk geval naar het ziekenhuis. En zij, Tonke, moet hem redden, want er is nie‑

mand anders die zich om hem bekommert.

Tonke trekt de manege dichterbij… en dichterbij…

“Die arme Jimmy moet onmiddellijk naar het zieken­huis,” roept Kelly, terwijl ze zenuwachtig om de trai­ler heen rent.

“Waar is Zack, waar is Brad?”

“Zack moet de paarden voeren,” zegt Tonke. “En Brad is, geloof ik, de stallen aan het doen. Zullen wij Jimmy maar naar het ziekenhuis brengen?”

“Oké,” zegt Kelly. “Brenda, Shanna, gaan jullie even uit de sportwagen? We hebben hem nodig om

Jimmy naar het ziekenhuis te brengen.”

Shanna springt meteen uit de auto, maar Brenda kijkt chagrijnig en stapt heel langzaam uit.

Tonke gaat achter het stuur zitten. Gelukkig is de sportwagen een automaat. Sturen, gas geven en rem­men, gemakkelijker kan het niet.

Kelly hoeft niet te weten dat Tonke nog nooit eer­der in een auto heeft gereden.

Kelly koppelt de trailer aan de auto. Voorzichtig

rijdt Tonke weg. Langs de stallen, langs de wei.

Ze komen in een landschap dat Tonke nooit eerder

heeft gezien.

Eerst rijden ze door glooiende, groene heuvels. Ze zijn helemaal alleen op een rechte weg.

Aan beide kanten van de weg zijn weilanden. Weilanden met mooie, witte omheiningen en paarden erin. Overal lopen paarden.

Tonke raakt gewend aan het rijden en krijgt meer zelfvertrouwen. Ze geeft meer gas.

De wind waait haar haren naar achteren en Tonke zou wel willen gillen van plezier.

Eindelijk heeft ze weer het gevoel dat ze leeft. Daar is een kruising.

Tonke weet niet of ze rechts of links moet, maar Kelly steekt haar arm naar rechts uit, dus dat zal wel de juiste richting zijn.

Tonke neemt de bocht met gierende banden. Ze rijden nu op een weg langs de zee.

Tonke lacht uitbundig. Ze voelt zich vrij. “Voorzichtig rijden, hoor,” roept Kelly naast haar. “We hebben nog een trailer achter ons.”

“We kunnen geen minuut verliezen,” gilt Tonke boven de wind uit. “Jimmy gaat hard achteruit.”

Via haar achteruitkijkspiegel kan ze in de trailer kijken. Jimmy ligt daar rustig te slapen, maar dat hoeft Kelly niet te weten.

Ze wil gewoon hard rijden, eens lekker scheuren. Voor hen rijdt een oude auto met een slakkengan­getje. Het wordt drukker op de weg.

Tonke toetert een paar keer en scheurt dan langs de auto. Nu heeft ze een auto met caravan voor zich.

De kustweg is bochtig, dus inhalen mag eigenlijk niet, maar daar trekt Tonke zich niets van aan. Ze gaat boven op het gaspedaal staan en de auto spuit vooruit.

Het is niet voor niets een sportwagen.

Als ze naast de caravan rijdt, ziet ze van de andere kant een motorfiets komen. De motor rijdt rakelings langs hen heen.

Kelly zit met een wit gezicht naast Tonke.

“We moeten daar naar rechts. Het ziekenhuis is hier vlakbij.”

Even later zijn ze al weer op de terugweg.

Ze hebben Jimmy netjes afgeleverd bij de eerste hulp en Kelly heeft zijn moeder gebeld.

“Wil je alsjeblieft wat langzamer rijden?”

Kelly klinkt wel erg bang, dus Tonke doet maar wat ze vraagt.

Nu ze rustig rijdt, kan ze ook beter om zich heen kijken.

De zee is prachtig blauw en de stranden zijn wit en

helemaal leeg.

Tonke doet even haar ogen dicht en geniet van de warme zonnestralen op haar wangen.

Wat heeft ze de zon gemist!

Als ze even later naar Kelly kijkt, ziet ze dat zij aan het huilen is.

“Luddeveddu?” vraagt Tonke.

“Hè?” zegt Kelly.

“Ik zag jullie vanmiddag samen,” zegt Tonke dan. “Toen jullie buiten reden. Hebben jullie al gezoend?”

Kelly houdt op met huilen en begint zelfs te blo­zen.

“Nee, zo ben ik niet,” zegt ze tegen Tonke.

Tas maar op voor Brenda,” zegt Tonke. “Brenda is hartstikke gek op Zack. En zij wil best met hem zoe­nen, hoor. Maar Zack niet meer met haar, denk ik. Brenda”s haar is niet zo mooi meer. Toen ik haar in bad meenam, heb ik er per ongeluk een paar plukjes uit getrokken. Zonde hoor. Nu is ze een beetje kaal aan de voorkant.”

Kelly kijkt Tonke verbaasd aan.

“Brenda is zwaar ziek geweest. Daarom is ze kaal van voren,” zegt ze. “Ze heeft het me zelf verteld. Haar haar begint al weer aan te groeien, zegt ze.”

“Nee hoor, ik heb haar haren eruit getrokken en weg is weg bij een pop,” zegt Tonke.

Kelly draait zich ongelovig om.

“Je snapt het niet, hè?” zegt Tonke. “Maar Brenda is van mij. Jij bent ook van mij. Jullie zijn speelgoed. Maar ik zal zuinig zijn op jouw haar, hoor. Ik heb jou van school gekregen toen ik net in het ziekenhuis lag.

Alle kinderen uit de klas hebben een gulden voor je betaald, denk ik. Je hebt wel zo”n dertig piek gekost.” “Het is niet waar,” zegt Kelly.

Tonke stuurt de auto naar een parkeerplaats. Het lijkt wel of ze op het randje van de aarde staan.

Om de parkeerplaats heen zijn geen hekken en Tonke ziet overal afgrond. Ze staan op een klif!

Niet vergeten de handrem aan te trekken, denkt Tonke. Dan draait ze zich om naar Kelly.

“Ja, het is wel zo,” zegt Tonke. “Ik heb jou je naam gegeven en Brenda ook. Allemaal namen uit Beverly Hills. Nadia heeft een Donna-pop en een Andrea.”

Kelly begint Tonke uit te lachen.

“En jij bent dan zeker de opperpop? Jij hebt zeker je eigen naam mogen bedenken! Tonke! Hoe verzin je het!”

“Doe niet zo stom, zeg. Jullie zijn poppen. Ik ben een mens. Ik heb een vader en een moeder en die hebben mijn naam bedacht. Ik ben naar een beroem­de schrijfster vernoemd.”

Kelly schudt haar hoofd heen en weer en begint dan te proesten van het lachen.

“Dan ben ik ook een mens, haha. Ik weet niet wat een vader of een moeder is, maar ik weet wel dat we allemaal gelijk zijn. Dat was het eerste wat me ver­teld werd toen ik uit de machine kwam.”

Ineens wordt Kelly heel kwaad en ze roept: “We worden allemaal gemaakt naar hetzelfde ontwerp. Alleen onze kleur haar is anders. Jij bent heus niet beter dan ik, al kom je uit een andere fabriek.”

Die stomme Kelly, ze snapt er ook werkelijk niets

van, denkt Tonke. Hoe moet ze het haar nu uitleggen?

“Ik kom niet uit een fabriek, maar uit een andere wereld. Maar ik kan in jullie wereld komen omdat ik mijn rug heb gebroken en op bed lig en uit verveling begin te fantaseren.”

Kelly begint te lachen. Ze kijkt om zich heen en zwaait met haar arm naar alle kanten.

“Waar is je bed dan? Ik kan het niet zien.”

“Dat kun je van hieruit ook niet zien. Mijn bed is in de andere wereld. De eh… buitenwereld.”

“En je hebt je rug gebroken? Daar zie ik ook al niets van.”

“Dat zie je alleen in het bed in de buitenwereld.” Kelly klemt haar lippen op elkaar.

“Je bent een fantast.”

“Dat heb je goed gezien. Als ik op bed lig, dan ga ik over jullie fantaseren. En dan ben ik ineens bij jul­lie.”

“Je bent niet goed snik.”

“Ik ben wel goed snik. Het is waar wat ik zeg. Ik ben een meisje en ik heet Tonke. Ik fantaseer gewoon dat mijn poppen tot leven komen.”

Kelly kijkt haar boos aan.

“Jij bent een pop en je fantaseert dat je op bed ligt en je rug hebt gebroken. Je bent niet wijs. Wie droomt er nou dat hij zijn rug heeft gebroken?”

Kelly doet het portier van de sportwagen open en stapt uit.

Tonke roept haar na: “Kom nou terug, dan rijden we naar de manege. Ik kan je bewijzen dat ik geen onzin praat. Als ik in de buitenwereld ben, dan laat ik

Nadia Brenda”s hoofd kaalknippen. Kunnen we lachen. En dan heb jij Zack voor jezelf. Nou, wat vind je ervan?”

Kelly begint weer te lachen.

“Tonke is gek, met de lepel in haar bek,” zingt ze en ze maakt er een paar danspasjes bij.

“Je mag blij zijn dat ik jouw hoofd niet laat kaal­knippen,” roept Tonke haar na.

Kelly begint nog harder te lachen.

Tonke rijdt weg, zonder Kelly.

Ik krijg jou nog wel, denkt ze.

Die Kelly met haar onschuldige blonde haren is eigenlijk net zo erg als die nare, eigenwijze Brenda. Ze mogen allebei wel eens een lesje hebben!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

6. VAKANTIEFOTO’S

 

EI en dikke envelop uit Drente,” zegt Tonkes moe­der. Wil je hem zelf lezen of zal ik “m voorle­zen? Hij is van Aafje.”

Weer lijkt het of Tonke van ver weg wordt terugge­haald. Of er iets haar hoofd was uitgevlogen, dat nu uit de lucht wordt gepakt en teruggebracht.

De stem van mam. Ja, ze is terug van weggeweest. Maar deze keer houdt ze er geen prettig gevoel aan over. Tonke is nog behoorlijk nijdig op Kelly.

Zie je wel dat ze nu weer in de echte wereld is? Ze heeft haar rug gebroken. Ze ligt op bed. De zieke krijgt post!

“Uil, ik lees hem zelf wel,” zegt Tonke met een sla­perige stem. Ze vindt het al erg genoeg dat haar moe­der al haar ansichtkaarten voorleest.

Haar moeder zwaait de envelop voor haar gezicht heen en weer en steekt dan haar nagel tussen de geplakte randen.

“Nee mam, ik kan hem zelf wel openmaken.” Tonke pakt de dikke envelop uit haar moeders handen.

Die vraagt: “Mag ik hem straks ook lezen?”

“Misschien,” zegt Tonke en ze wuift haar moeder weg.

Tonke bekijkt eerst de foto”s die in de envelop zit­ten.

Op de eerste foto staat een Fjordenpaard voor de

huifkar. Tante Merel zit op de bok, met naast haar Aafje en een stom kind.

Op de achterkant heeft tante Merel wat geschreven.

Dit is Alexandra, de Fjordenmerrie die we voor een week hebben meegekregen. Alexandra is kogel­rond. Ze gaat nog langzamer dan je oom Klaas, die vaak naast de huifkar loopt. Naast mij op de bok Aafje en Bianca.

Op de volgende foto zit de hele familie om een campingtafel bij de huifkar. De Fjordenmerrie staat erbij te kijken. Ze heeft alleen een halster om.

Tante Merel heeft weer op de achterkant geschre­ven.

Heerlijk, elke ochtend samen ontbijten in de natuur Alexandra kent ons al goed. Ze vindt het gezellig om bij ons te zijn. Ze is een uniek paard. Bianca kan goed met haar opschieten. Zij tuigt haar elke morgen op. Gisteren hebben Aafje en Bianca ook op de pony gereden.

“Bianca kan goed met haar opschieten,” herhaalt Tonke de zin hardop. “Nogal logisch met zo”n Fjord. Iedereen kan met een Fjord opschieten. Makkere paarden bestaan er gewoon niet.”

Hoe meer foto”s Tonke bekijkt, hoe chagrijniger ze wordt.

Bianca en Aafje samen op Alexandra.

Aafje en Bianca zwemmend in een meertje.

0 gelukkig, het is niet alleen maar vakantie: Bianca en Aafje lachend aan de afwas.

En wat is dat”?

Alexandra de Fjordenmerrie liggend op de grond.

Aan de ene kant van haar hoofd Aafje. Aan de andere kant Bianca.

Achterop staat: Alexandra houdt van zonnebaden. We hebben een prachtig, rustig strandje gevonden aan een meertje. Aafje, Bianca en ik vermaken ons op het strand. Klaas blijft bij de huifkar en de pony. Alexandra staat aan een lang touw. Ze kan grazen, maar het liefst ligt ze in de zon.

Wat een onzin, denkt Tonke. Als het zo warm is, zoeken paarden altijd de schaduw op.

Die stomme Bianca zal wel hebben gezegd: “Leg dat paard in de zon neer. Dat is goed voor hem.”

Arme Alexandra! De merrie heeft nu natuurlijk een zonnesteek opgelopen. Ze zal inmiddels wel dood zijn.

Arme, arme, arme Alexandra. Wat zielig voor dat beest.

Het is echt een lieve merrie. Ze heeft een leuk gezicht, een grappig gezicht.

Lang staart Tonke naar de foto.

Ineens staat Tonke voor Alexandra.

Alexandra ligt op een bed van bladeren.

Tonke steekt haar hand uit, zodat de pony haar kan besnuffelen.

Alexandra wil opstaan, maar Tonke zegt: “Rustig maar, ik ben het, Tonke. Ik ken jou al van de foto”s. Maar tante Merel heeft geen foto van mij bij zich. Dus kun jij mij nog niet kennen. Blijf maar lekker liggen en ruik maar aan mijn hand.”

Alexandra is gerustgesteld. Ze voelt zich zelfs zo op haar gemak dat ze haar hoofd op de grond legt. Ze

rekt haar benen uit als een kat. Haar hals is licht bezweet.

Gek, denkt Tonke. Een paar meter verder is volop schaduw. Er is voldoende gras om te grazen. Maar de merrie schijnt liever in de zon te liggen.

“Hallo Tonke,” zegt oom Klaas ineens achter haar. “Ga maar snel naar het water. Daar zijn Aafje en tante Merel. Wat is het warm, hè? Het is wel dertig graden, geloof ik.”

Tonke geeft haar oom een zoen.

Wat vreemd dat oom Klaas niet verbaasd is haar te zien.

“Aafje, Bianca, Tonke, we gaan naar de volgende overnachtingsplaats. Komen jullie uit het water?”

Tante Merel staat aan de rand van het water te zwaaien.

Bianca rent direct naar haar toe.

Maar Tonke duikt nog een keer onder water. Ze zwemt snel naar Aafje. Ze pakt de enkel van haar nichtje beet.

Aafje begint met haar benen te schoppen.

“Een haai, een haai,” gilt ze alsof ze doodsbang is.

Tante Merel staat hard te lachen aan de kant.

“Nou meiden, kom snel uit het water. We moeten nog ergens boodschappen doen. Het is al vier uur. Ik zou niet weten in welk dorp een supermarkt is.”

Tonke pakt de handdoek van haar tante aan en droogt zich af

Heerlijk. Haar lijf De zon op haar huid. Wat is dat lang geleden.

Aafje en Tonke verkleden zich in de huifkar. Bianca is Alexandra aan het inspannen, samen met oom Klaas.

Hij loodst de merrie naar de weg toe.

“De enige supermarkt in de buurt is in Borger, heb ik net gehoord.”

Tante Merel kijkt zorgelijk.

“Dat is zo”n kilometer of tien en Alexandra loopt misschien maar drie kilometer per uur. Hoe moeten we dat nou doen? We kunnen best een patatje halen voor vanavond of zo. Maar voor morgen heb ik ook geen ontbijt. Het brood is op en we hebben ook geen melk meer.”

“Alexandra kan toch draven,” zegt Tonke.

“Draven?” vraagt tante Merel.

“Ja, draven. Elk paard kan draven. Hebben jullie nog helemaal niet met Alexandra gedraafd?”

Tante Merel en oom Klaas kijken beschuldigend naar Bianca.

“Jij zei toch dat je niet mocht draven met een Fjord?”

“Nee eh, ik bedoelde eh… je moet uitkijken met haar hoeven,” zegt Bianca bedremmeld. “Paarden­hoeven zijn heel gevoelig. Vooral op de verharde weg.”

“Daarvoor heeft ze hoefijzers onder,” zegt Tonke. Ze denkt: wat een dombo, die Bianca.

“Nou, zorg jij maar dat we op tijd in Borger aanko­men, Tonke,” zegt tante Merel geïrriteerd. “Ik ga de huifkar opruimen. Klaas, je moet me helpen.”

Tonke zit in het midden op de bok. Aafje zit rechts van haar en Bianca links.

Tonke heeft de teugels stevig in handen.

“Draf Alexandra, draf, voorwaarts mars,” zegt ze gebiedend. Tonke slaat even met de teugels op de kont van de merrie.

Alexandra begint te draven.

Aafje kijkt Tonke vol bewondering aan.

“Ik wist niet dat Alexandra zo goed kon luisteren,” zegt ze.

Dan fluistert ze in Tonkes oor: “Bij Bianca luistert ze niet. Bianca heeft helemaal geen verstand van paarden. Ze kon Alexandra niet eens inspannen. Ze kreeg het bit niet in. Mijn vader kon het nog beter.”

Tonke knikt en vraagt aan Bianca: “Hoe lang rijd jij al paard, Bianca?”

“Eh, ik ben al op m”n tweede kaart.”

“En hoeveel knippen heb je op een kaart?”

“Eh, tien, hoezo?”

Bianca kijkt Tonke angstig aan. Ze snapt niet waar­om ze zo wordt ondervraagd. Het lijkt wel een kruis­verhoor.

“Dus je hebt een les of elf, twaalf gehad?” vraagt Tonke.

“Eerder dertien of veertien.”

“En heb je dan verstand van paarden, denk je?” Bianca kijkt beschaamd van Tonke weg, maar zegt niets.

Zo, die zit, denkt Tonke. Maar nu moet ik dat stom­me kind nog zien kwijt te raken. Ik heb geen zin om de rest van de vakantie met haar opgescheept te zitten.

“Tonke, we moeten doorrijden. We hebben nog maar een uurtje voor de winkels sluiten. We zijn er

nog lang niet,” zegt Aafje.

“Houd jullie goed vast,” zegt Tonke.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

7. IN GALOP

 

Tonke pakt de teugels heel kort vast.

1 “Galop, Alexandra, galop,” roept ze.

De merrie begint te galopperen.

De huifkar slingert eerst wat heen en weer.

Tante Merel trekt het zeildoek achter de bok open. “Wat gebeurt er? Is Alexandra op hol geslagen?” “Nee,” zegt Tonke. “We gaan in een hogere versnel‑

ling. We hebben toch haast?”

Tante Merel verdwijnt weer naar achteren.

De hoeven van Alexandra kletteren op de straatste­nen. Af en toe maakt ze een vonk met haar ijzers.

Alexandra schijnt het leuk te vinden in galop. Tonke hoeft haar niet eens aan te sporen. De merrie gaat steeds harder.

“We moeten daar rechtsaf,” roept Aafje.

Nu ziet Tonke het bord ook.

Borger, 5 kilometer.

Ze stuurt Alexandra naar rechts.

De huifkar gaat schuin door de bocht. Tante Merel en oom Klaas gillen achterin.

Daarna moeten ze een bruggetje over. Het is nogal smal.

Van de andere kant komt een fietser aanrijden. “Aan de kant,” roept Tonke.

Er is op het bruggetje geen ruimte voor de fietser en de huifkar.

Ohoh, dit gaat mis, denkt Tonke. We rijden zo over de fietser heen.

Maar de fietser is ook niet van gisteren.

Net voordat zij de brug opstuiven, pakt hij zijn fiets op. Hij gooit zijn rijwiel zo over de reling. Daarna springt hij er zelf achteraan.

Gelukkig, geen ongeluk, denkt Tonke.

Ze galopperen door. Langs weilanden en boerderijen. Door een schattig dorpje.

Gelukkig komen ze nergens stoplichten tegen.

Overal komen mensen uit hun huizen. Ze hebben Alexandra gehoord. Ze denken dat er een paard op hol is geslagen. Maar dat is niet zo.

Tonke heeft de teugels stevig in handen.

Alexandra doet precies wat zij wil.

“Naar links, naar links,” gilt Aafje, die nog steeds op de borden let.

Tonke kijkt even naar Bianca.

Het meisje zit met een wit gezicht naast haar. Haha, ze is doodsbang, denkt Tonke.

Zij is echt niet geschikt voor een huifkartocht. Op zo”n tocht moet je een beetje stoer durven zijn.

“Tante Merel, oom Klaas, geef tegenwicht,” roept Tonke. “We gaan naar links.”

De huifkar ligt nu wel heel schuin in de bocht. Oom Klaas en tante Merel hangen met hun hele gewicht naar rechts.

Tonke moet Alexandra heel goed sturen, anders vliegen ze uit de bocht.

De wielen knarsen en de huifkar slingert de hoek

om. Maar het gaat goed.

Daar is het bordje “Borger” al.

Tonke houdt Alexandra ineens heel erg in.

De merrie moet het gewicht van de huifkar tegen­houden.

Ze is heel erg sterk, want ze staat ineens stil.

Er staan mensen in hun tuintjes. Ook zij hebben natuurlijk gedacht dat er een paard op hol was. Nu ze zien dat Tonke de teugels in handen heeft, zijn ze gerustgesteld.

“Vraag waar de supermarkt is,” zegt Tonke tegen Aafje.

“Waar is de dichtstbijzijnde supermarkt?” vraagt Aafje aan een man op de stoep.

“Bij het kruispunt links, dan een kilometer recht­door en daar is de supermarkt. Het is een doorgaande weg, dus je kunt er niet parkeren. Je moet net voor de supermarkt een zijstraatje rechts hebben. Daar kun je de huifkar neerzetten,” zegt de man.

Alexandra staat op de plaats te dribbelen van onge­duld.

“Dank u,” zegt Tonke en ze geeft Alexandra weer de teugel. Alexandra spurt vooruit.

“Daar is het kruispunt,” zegt Aafje. “Voorzichtig, het is hartstikke druk.”

Het verkeer komt van alle kanten. Iedereen schijnt dezelfde straat in of uit te willen.

Ze moeten maar aan de kant gaan, denkt Tonke. Al die mensen hebben hun boodschappen vast al gedaan.

“Bianca, jij moet het signaal geven dat we naar links gaan,” zegt Tonke.

Bianca moet de stang loslaten, waaraan ze zich steeds vast heeft gehouden.

Ze steekt haar linkerarm uit.

“Zo ziet niemand je arm,” zegt Tonke. “Ga er maar bij staan.” Bianca gaat met trillende benen staan en ze steekt haar arm zo ver mogelijk uit.

Op dat moment stuurt Tonke Alexandra naar links. Het rechterwiel van de huifkar raakt de stoep even. De huifkar helt schuin over naar links en Bianca valt van de kar af.

Tonke ziet nog net hoe Bianca op haar hoofd op het asfalt terechtkomt. Direct daarna wordt ze over­reden door een bus, die van de andere kant komt. Bloed spuit uit de grond alsof er een fontein is neer­gezet.

Tot nooit, denkt Tonke.

Dan is ze met haar hoofd weer bij Alexandra.

“Ga door, geef alles wat je hebt,” roept ze.

Alexandra gaat nog harder. De huifkar helt over naar de ene en dan naar de andere kant.

“Daar is de supermarkt,” gilt Aafje opgewonden. “Eh, en daar het zijstraatje. Remmen joh, anders halen we het niet.”

Tonke zet de noodrem erop. Ze haalt de teugels in één keer in en Alexandra reageert meteen. Ze zet zich weer schrap om het gewicht van de huifkar tegen te houden.

Rustig stappen ze het zijstraatje in.

Aafje roept naar achteren dat ze bij de supermarkt zijn.

Tante Merel en oom Klaas springen uit de achter‑

kant van de huifkar. Ze rennen naar de supermarkt. Achter hen aan zwaaien een paar boodschappentas­sen.

“Het is vijf voor zes,” zegt Aafje. “Ik hoop dat mijn horloge goed loopt. Jee zeg, wat een rit! Wat kun jij sturen, zeg. Niemand anders had het je nagedaan.”

“Het was een fluitje van een cent,” zegt Tonke.

“Dat kan iedereen die verstand heeft van paarden.”

Ze springt van de bok en gaat naar het hoofd van Alexandra toe.

De merrie staat flink te hijgen. Haar hele lijf is bezweet en de damp slaat van haar af. Haar dikke buik is verdwenen.

Aafje komt aanlopen met een emmer water.

“Het water is lekker koud gebleven,” zegt ze en ze wil Alexandra laten drinken.

“Nooit een paard koud water geven als het net hard gewerkt heeft,” zegt Tonke. “Dan krijgen ze koliek. Is er niet ergens lauw water?”

Aafje loopt naar achter, de huifkar in. Even later komt ze terug met de ketel.

“Hier zitten een paar slokken lauw water in,” zegt ze. “M”n moeder heeft net thee gezet, denk ik.”

Tonke leegt de emmer met koud water en gooit de inhoud van de ketel erin.

“Hier Alexandra, rustig drinken,” zegt ze.

Alexandra duikt met haar hoofd in de emmer en begint gulzig te drinken. Het water is al snel op. Ze kijkt Tonke aan met een blik van “is er niet meer?”.

“Je krijgt straks meer als we op de camping zijn,”

zegt Tonke. “Als je uitgehijgd bent.”

“Waar gaan we precies naartoe?” vraagt Tonke aan Aafje.

“Ik dacht naar Buinen,” zegt Aafje. “Dat is maar drie kilometer hiervandaan.”

Daar komen tante Merel en oom Klaas weer aan.

Ze dragen allebei twee boodschappentassen die aan alle kanten uitpuilen.

Tante Merel geeft een boodschappentas aan Tonke. “Voor jou, meid, omdat we door jouw stuurmans­kunst te eten hebben.”

Tonke kijkt in de tas en likt haar lippen al af. Ze ziet allerlei soorten drop. Marsen, twixen, repen cho­colade, chips. Blikjes cola en sinas.

Ze maakt eerst de zak chips open. Die heeft ze het langst niet gegeten.

Tonke graait de chips gewoon uit de zak en propt ze in haar mond. Ze gaat zo door tot de hele zak leeg is.

Nu is haar honger een beetje gestild.

“We moeten verder,” zegt ze dan. “Alexandra mag niet te lang stilstaan nu ze zo nat is. Dan wordt ze ziek.”

“Oké. Wij bergen de boodschappen in de huifkar op en gaan alvast aan het eten beginnen,” zegt oom Klaas. “Nu kunnen we, geloof ik, wel wat rustiger rij­den, hè?”

Haha, denkt Tonke. Zelfs oom Klaas is bang geweest.

“Waar is Bianca eigenlijk?” vraagt tante Merel. “Ik heb haar al een tijd niet gezien,” zegt Aafje.

“Ik dacht dat ze met jullie mee was naar de winkel,” “Nee.” zegt tante Merel en ze kijkt zoekend om zich

heen.

“Eh, ik heb haar onder eh… op een bus zien stap­pen,” zegt Tonke. “Ze. eh, had heimwee, geloof ik. Ze wilde liever naar huis.”

Tante Merel kijkt opgelucht.

“Het is maar goed ook, dat ze weg is. Ze kan hele­maal niet sturen en ze is ook geen familie. Veel gezelliger, wij met z”n vieren.”

 

 

 

 

 

 

 

8. DE REUZEN VAN DRENTE


Hallo Tonke,

Zo jammer dat je niet mee kon op de huijkartocht. Ik hoop dat we volgend jaar weer gaan. Dan mag je zeker mee, heeft mam gezegd. Hopelijk is dan je rug weer genezen.

Het is hier hartstikke leuk, joh. Het is heel erg warm overdag, maar wel koud “s nachts, hoor

Bianca en ik slapen in een tent. Wij hebben het niet zo koud. Maar papa en mama klagen wel over de kou. Ze proberen de huifkar te verwarmen met omge­keerde bloempotten op het gas. Grappig hè? Het helpt wel.

De eerste nacht hebben we op een boerderij gesla­pen. Leuk joh. J4 stonden met wel twaalf huifkarren op een veldje. Alexandra, onze pony, moest naar de wei worden gebracht. Dat was wel een kilometer ver­der Toen heeft Bianca Alexandra vastgehouden en mocht toi op haar rug. Ze heeft een hele brede rug. Ik lag bijna met mijn benen in spagaat.

Mam heeft pannenkoeken gebakken en op een bepaald moment zat iedereen in een kring. Een jon­gen had een gitaar bij zich. We hebben met z”n allen gezongen, leuk joh.

De volgende nacht hebben we op een andere boer­derij overnacht. Het was een boerderij met een cam­ ping. Maar wij stonden weer op een ander veldje.

Er lag een kalfje aan een touw. Het was pas de vorige dag geboren. Als de koeien gemolken werden, kreeg het ook te drinken. Ik vond het wel zielig hoor, zo alleen aan een paal. Waarom mocht het niet bij zijn moeder blijven, hè? Het zal wel ziek geweest zijn. Of misschien was zijn moeder doodgegaan bij de bevalling.

De dag daarna hebben we een meertje ontdekt. Een heel mooi strand en lekker water Bianca en ik mochten heel lang in het water liggen en bruinbak­ken. Pap bleef bij de huifkar Alexandra mocht gra­zen.

Maar toen we “s middags weggingen, moesten we nog boodschappen doen. En het was al vier uur De dichtstbijzijnde supermarkt was wel tien kilometer verder

Tonke laat de brief zakken. Er loopt een rilling over haar rug.

Hoe kan ze nu al gefantaseerd hebben over de rit naar de supermarkt. Ze had de brief toch nog niet gelezen?

Snel leest ze door.

Hij was in Borgera die supermarkt. We hebben de hele weg gedraafd. Op het laatst had Alexandra helemaal geen zin meer in draven.

We waren net op tijd bij de supermarkt. We hadden bijna niet te eten gehad. Spannend joh!

Lang niet zo spannend als onze rit, denkt Tonke.

Wat is draven nou? Galop is toch veel spannender?

Dan leest ze weer door. Ze is nog lang niet aan het einde. Het lijkt alsof Aafje elke dag een stukje heeft geschreven. Ze heeft wel steeds dezelfde pen gebruikt.

Maar bij elk nieuw stukje is het handschrift iets anders. Alsof ze steeds op een andere ondergrond heeft geschreven.

Gisteren lijn we naar het openluchtmuseum Schoonoord geweest. Het heet “De zeven marken”. Je kunt daar zien hoe de 171C11SC11 vroeger in Dwnte heb­ben gewoond. De meeste gezinnen woonden in plag­genhutten. De kinderen sliepen raak met z”n allen in een bedstee. Als ze “s ~hts moesten plassen, dan kon dat alleen maar buiten. Achter het huis. Eng, hè? En koud in de winter natuurlijk.

De dieren sliepen ook in het huis. Bijvoorbeeld een geit of een schaap. In delelfde ruimte waar de men­sen sliepen! Alaar er vvaren ook mensen die nog in holen woonden, zoals Ellert en Brammert.

Ellert en Brammen, Ellert en Brammen, waar heeft ze die namen ook al weer eerder gehoord? Tonke pij­nigt haar hersens af naar het antwoord.

Ellert en Brammert… Ellert en Brammert…

Tonke kijkt stiekem door het kijkkastje van het hol. Ze ziet daar twee heel grote, ruwe kerels met baar­den. Deze mannen hebben zich al een hele tijd niet

gewassen. Ze stinken!

Al staat Tonke achter een soort muur van aarde, ze kan ze toch ruiken. Als ze verder in het hol kijkt, schrikt ze zich rot. Op een stoel in het hol zit een meisje vastgebonden. Het is Nadia! Om haar mond is een doek geknoopt.

Een van de reuzen zit een groot mes te slijpen. Hij kijkt steeds heel vals naar Nadia.

Nadia is doodsbang. Ze weet dat ze zo vermoord zal gaan worden. Ze weet dat er geen hulp komt, ook al zou ze kunnen roepen.

Ze zijn op de meest afgelegen plek van Drente. Er zijn nergens huizen te bekennen.

De enige op de hele wereld die haar kan helpen. ben ik, denkt Tonke.

Ze moet dus wat doen, maar wat?

Ineens weet ze het. Ze moet de reuzen naar zich toe lokken.

Als ze haar zien, dan rennen ze natuurlijk achter haar aan. Zij holt dan naar de huifkar en laat Alexandra weer hard galopperen.

In de tussentijd kan Nadia zich wel losmaken en vluchten.

Tonke roept door het kijkgat: “Hallo Ellert en Brammert, ik ben het, Tonke. Jullie willen toch een lekker meisje oppeuzelen? Nou, toevallig ben ik net gekozen tot het lekkerste meisje van de wereld.”

Dat spreekt de reuzen wel aan. Zij laten hun prooi direct achter en komen hun hol uit.

Tonke kan Nadia nog net een knipoog geven. Nadia lacht opgelucht.

Dan rent Tonke snel weg. Ze zorgt er wel voor dat de reuzen zien welke kant ze op gaat.

Ja, ze zijn op het goede spoor.

Zo snel als ze kan, holt Tonke naar de huifkar. De kar staat op de weg die naar het paardenverhuurbe­drijf leidt.

Misschien kan ze daar een ander paard voor de wagen zetten. Alexandra zal wel moe zijn.

De merrie begint te hinniken als ze Tonke ziet. Ze staat al te dribbelen van ongeduld.

Tonke springt op de bok.

Maar daar blijkt ook een ander meisje te zitten. Het is Ellen van de manege!

Tonke heeft geen tijd om te vragen wat Ellen hier doet. Het was zeker grootspraak, die vakantie naar Portugal. Zie je wel dat je niemand moet geloven”?

Tonke rukt de teugels uit Ellens handen en roept: “Alexandra, galop. Zo hard mogelijk. We worden door twee reuzen achternagezeten.”

Alexandra spant haar krachtige spieren en spurt weg.

Ellen houdt zich krampachtig vast aan een stang. “Reuzen, reuzen? Waar zijn die reuzen? Hoe groot zijn die reuzen?” jammert ze.

Tonke hoeft geen antwoord te geven.

De reuzen rennen brullend achter hen aan. Ze lij­ken nu nog groter dan net in hun hol. Ze zijn wel anderhalve keer zo groot als de grootste man die Tonke ooit heeft gezien. Ze zijn wel drie meter hoog! En hun benen zijn zo lang dat ze hele grote passen kunnen maken.

Het is maar de vraag of Alexandra ze voor kan blij­ven.

Ellert en Brammert hebben hun armen helemaal naar voren uitgestrekt. Ze proberen de achterkant van de wagen te pakken. Als dat lukt, dan kunnen ze de huifkar stopzetten en dan is Tonke hun avondmaal.

“Harder, harder,” gilt Tonke naar Alexandra. De merrie spant zich nog meer in.

Ineens ziet Tonke het bord van de paardenverhuur. Ze stuurt Alexandra naar rechts. Het is een heel scherpe bocht.

Ze ziet de gebouwen met stallen dichterbij komen. Voor de stallen is een lange stang, waaraan paarden zijn vastgebonden.

Tonke herkent meteen Satan. Hij staat naast Corrado. Een pikzwarte hengst naast een spierwitte ruin.

Tonke springt van de rijdende huifkar. Ze rent naar Satan toe en maakt het touw los. Ze klimt op het zadel en galoppeert weg.

Ook Ellen is van de bok gesprongen. Zij zit al op Corrado en roept naar Tonke: “Wacht op mij, wacht op mij.”

Tonke spoort Satan aan en in vliegende vaart ga­lopperen ze het bos in.

De reuzen zijn even op een dwaalspoor gebracht. Ze hebben Alexandra gevolgd tot ze stilstond. Toen pas beseften ze dat hun lekkere hapje niet meer op de bok zat.

Brullend van woede hebben ze om zich heen geke­ken.

Hun ogen vielen op een meisje dat op het paarden-bedrij f werkte.

Ze vonden dat zij er ook lekker uitzag.

Maar het meisje gebaarde met haar hand en riep: “Kijk daar, ze rijden op het bospad. Zien jullie ze niet?”

Ellert en Brammen begonnen direct weer te ren­nen. Even later zijn ze de meisjes al dicht genaderd.

Hun grote voeten bonken op de grond. Ze hebben allebei een knots in hun hand.

Corrado galoppeert meters achter Satan aan. Hij hijgt als een postpaard.

“Niet zo snel,” roept Ellen. “Corrado kan Satan niet bijhouden. Help.”

“Ieder voor zich en God voor ons allen,” roept Tonke terug.

Die kreet heeft ze wel eens ergens gelezen of gehoord. Hij komt hier goed uit.

Wat kan het haar schelen als Ellen wordt gepakt?

Tonke stuurt Satan dwars door het struikgewas. Ze springen over omgevallen boomstammen en door lage struiken.

Satan is een renpaard en dat merkt Tonke. Het lijkt wel of ze vliegen.

Ellen en Corrado raken steeds meer achterop. “Wacht op mij, wacht op mij,” roept Ellen steeds. De reuzen hebben haar bijna te pakken.

Maar Tonke is niet gek.

Ellen heeft toch ook nooit wat voor haar gedaan”? Laat ze het dan nu ook maar zelf uitzoeken.

In de verte ziet Tonke water glinsteren. Er ligt een meer in de bossen.

Satan racet over het witte zand en rent dan zo het water in. Al na een paar meter is het water zo diep dat

hij moet zwemmen.

Tonke houdt zich aan zijn manen vast.

Ook Ellen heeft het zand bereikt.

Corrado springt met grote sprongen het water in en

zwemt achter Satan en Tonke aan.

De reuzen blijven aan de kant staan. Het is wel te zien dat ze niet van water houden. Ze hebben zich waarschijnlijk nog nooit van hun leven gewassen.

De reuzen gaan erbij zitten.

Tonke heeft er spijt van dat ze het meertje in is gevlucht. Nu zit ze weer met die stomme Ellen opge‑

scheept.

Het water is hartstikke diep.

Hoe lang houden de paarden het zwemmen vol?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

9. OP DE VLUCHT

 

Naeen tijdje staan :41111:1e;t)en Brammert weer op. Ze lopen allebei naar een andere kant van het meer.

Dit is heel vervelend, denkt Tonke. Welke kant we ook op gaan, die reuzen hebben tijd genoeg om ons te pakken als we uit het water komen.

Satan begint moe te worden van het zwemmen.

Een paard is een loopdier en geen zwemdier, denkt Tonke. Dit is echt een rotsituatie. Wat moeten we doen?

Met Corrado is het nog veel slechter gesteld. De schimmel verdwijnt af en toe met zijn hoofd onder water. Hij houdt het gewoon niet meer vol.

“Help me toch, help me dan,” huilt Ellen. “We ver­drinken. Mag ik me aan jou vasthouden? Dan laat ik Corrado los.”

Dat is wel het toppunt, denkt Tonke. Ze laat Corrado gewoon verdrinken. Als ze haar eigen hachje maar kan redden.

Maar ze zegt: “Oké, laat Corrado maar los.”

Ellen zwemt naar haar toe.

Ineens stuurt Tonke Satan naar de wal. Ze roept Corrado haar te volgen.

Zonder ruitergewicht op zijn rug kan Corrado het nog wel even volhouden.

“Waar ga je heen, wacht op mij,” roept Ellen angstig.

Satan en Corrado hebben al vaste grond onder hun

voeten.

Tonke ziet dat Brammert haar kant op komt ren‑

nen.

Ze laat zich naar één kant van het zadel glijden en

houdt zich daar vast aan de stijgbeugel en Satans

manen.

Als Brammert dichterbij is, ziet hij helemaal geen

meisje op Satan rijden.

Op hetzelfde moment begint Ellen weer te roepen

vanuit het midden van het meer.

“Help, help, ik houd het niet vol. Ik verdrink.”

Brammert raakt in verwarring.

Hij wil een lekker meisje eten en niet een paard.

Hij eet al zo vaak paard.

Uiteindelijk rent hij terug naar Ellert om overleg te

plegen.

De paarden galopperen het water uit en rennen een

bospad in.

Al die tijd heeft Tonke aan één kant van het paard

gehangen. Ze krijgt lamme vingers. “Ho Satan, halt houden,” fluistert ze.

Satan doet meteen wat ze zegt.

Ook Corrado staat gelijk stil. De schimmel loopt

naar haar toe en blaast haar dankbaar in haar gezicht. De paarden moeten echt even rust hebben, denkt

Tonke.

Ze ziet een prachtig stukje grasland iets verderop. “Gaan jullie hier maar even grazen en rusten,” zegt

ze tegen de twee paarden. “Ik ga even terug om te kij­ken wat de reuzen uitvoeren.”

De paarden zijn maar al te blij dat ze hun honger kunnen stillen.

Tonke sluipt terug naar het meertje. Van achter een paar struiken kan ze alles precies zien.

Ellen heeft de strijd opgegeven. Ze is naar de kant gezwommen. Ze probeert niet de reuzen te praten. Tonke hoort wel wat ze zegt!

“Ik ben helemaal niet het lekkerste meisje dat er is,” zegt Ellen. “Dat is Tonke. Zij is het zoetste meisje dat er bestaat. Alleen om te eten, hoor, niet in haar doen en laten. Dan is ze bepaald niet zoet. Ik ben bijvoor­beeld wel een zoet meisje in mijn doen en laten, maar om te eten ben ik zuu…”

De reuzen zijn niet zo goed in taal. Ze hebben begrepen dat Ellen zoet is. Ze hebben honger na de zware achtervolging. Ellert pakt Ellen vast. Hij stuurt Brammert weg.

Even later komt Brammert terug met een hele bos hout achter zich aan.

Reuzehandig maakt hij er een vuurtje van.

Ellen zwaait met haar armen en schopt met haar benen.

Ze tiert: “Als mijn vader erachter komt dat jullie me vasthouden… Laat me los! Laat me onmiddellijk los! Mijn vader stuurt zijn bodyguards op jullie af. Dan gaan jullie voor altijd de gevangenis in!”

Met één hand heeft Ellert Ellens middel vast. Voor hem is zij een veertje. Hij laat haar echt niet los.

Ellen wordt aan een lange staak gespietst en boven het vuur gehangen.

Ze schreeuwt moord en brand. Ellert draait haar steeds in het rond.

Dan maakt Ellen geen geluid meer.

Eigen schuld, dikke bult, denkt Tonke. Dan had je je paard maar niet in de steek moeten laten.

Ineens denkt ze aan Nadia.

Heeft haar vriendin zich wel los kunnen maken? Tonke besluit snel te gaan kijken. Als de reuzen hebben gegeten, dan gaan ze vast terug naar hun hol!

Rustig draaft Tonke op Satan terug naar het hol van de reuzen.

Corrado draaft achter haar aan. De schimmel wil haar maar al te graag als nieuwe baas.

Bij het hol aangekomen springt Tonke van Satan af. Ze kijkt door het kijkgat. Nadia zit nog steeds aan de stoel vastgebonden met een doek om haar mond.

Tonke rent naar binnen en ze haalt de doek weg.

“Wat een geluk dat je er bent,” zegt Nadia. “Ik kon mezelf niet los krijgen. Je hebt iets scherps nodig om de touwen los te snijden. Daar in de hoek, op die tafel, ligt een scheermes. De reuzen wilden dat ik hun dienstmeid werd. Ik moest eten voor ze koken en ze elke dag scheren. Erg hè? Voordat je die baarden eraf hebt, ben je twee eeuwen verder.”

Tonke pakt het scheermes van de tafel.

Het ziet er heel scherp uit.

Ze snijdt er Nadia”s touwen mee door alsof het draadjes zijn.

“Wat een scherp mes. Daarmee kun je ze de keel wel doorsnijden,” zegt ze tegen Nadia.

“Dat was ik ook van plan,” zegt Nadia. “Maar

gelukkig hoeft dat niet meer. Ik houd niet zo van bloed. Nou, zullen we gaan?”

“Oké,” zegt Tonke. “We zijn lang genoeg in dit sme­rige hol geweest.”

Nadia kijkt boos. “Hoezo smerig? Ik heb het hier al schoongemaakt, hoor. Je had het eens moeten zien zoals het was. Er lagen overal vieze kleren en borden met etensresten.”

Tonke haalt haar schouders op.

“Laten we nu maar geen ruzie maken. We moeten weg zijn voordat de reuzen terugkomen. De paarden staan buiten. Jij mag op Corrado.”

“Ik wil op Satan,” zegt Nadia. “Jij hebt al die tijd al op Satan gereden.”

Zuchtend gaat Tonke akkoord.

De paarden staan achter het hol te grazen. Ze komen direct naar hen toe.

“Laten we opschieten,” zegt Tonke en ze klimt op Corrado.

“Oh shit, ik ben m”n rugzakje vergeten,” zegt Nadia en ze springt weer van Satan af.

“Wat maakt dat nou uit, joh. Laat liggen,” zegt Tonke. “De reuzen kunnen elk moment hier zijn.” Maai Nadia rent terug naar het hol.

“M”n Donna-pop zit erin,” roept ze.

Op dat moment hoort Tonke de zware voetstappen van een van de reuzen.

Het is Ellert en in zijn hoed heeft hij Ellens blonde paardenstaart gestoken.

De reus rent gelijk het hol in.

Tonke hoort hem grommen.

Hij ziet natuurlijk dat Nadia los is. Hij zal haar weer vastbinden.

Ze hoort Nadia al krijsen en de reus brullen. Even later hoort ze Nadia brullen en de reus krijsen.

Nadia komt naar buiten gerend. In haar hand heeft ze het scheermes.

Er druipt wel een liter bloed vanaf

“Ik heb hem zijn keel doorgesneden,” roept ze.

Nadia maakt een soort vreugdedans om de paarden heen. Dan wil ze weer terug naar het hol gaan.

“Idioot, we moeten vluchten,” zegt Tonke. “Zo meteen komt die Brammert er aan. Hij vermoordt je als hij ziet dat je Ellert hebt gedood.”

“Nee, ik vermoord hem,” roept Nadia opgewonden.

“Net als Ellert. Ik zei hem dat ik hem zo graag wilde scheren. Hij ging direct in de stoel zitten!”

Tonke springt van Corrado af. Ze geeft Nadia een klap in haar gezicht.

“Je lijkt wel gek geworden. We moeten weg. Schiet nou op.”

Nadia komt weer bij zinnen. Ze laat het mes uit haar handen vallen en zegt: “Oh, mijn God, ik heb een reus gedood. Wat afschuwelijk!” Nadia valt met haar knieën op de grond.

Ze jammert: “Ik ben een slecht mens. Ik heb een reus gedood.”

“Stel je nou niet zo aan,” zegt Tonke en ze trekt Nadia van de grond.

“Die reus heeft eerst Ellen opgepeuzeld en datzelf­de wilde hij met jou doen. Het was gewoon zelfverde­diging. Dat zal de rechter ook wel vinden. Laten we

nou naar huis gaan. Ik heb nog steeds natte kleren. Ik krijg zo langzamerhand ook honger. Nou, ga je mee?”

Daar horen ze de voetstappen van Brammert al.

Nadia heeft geen aansporing meer nodig. Ze springt op Satan en galoppeert weg.

Tonke is nieuwsgierig naar de reactie van Brammert. Maar ze volgt haar vriendin toch.

Net als ze de bocht om gaan, hoort ze een doffe klap naast zich. Brammerts bijl staat te trillen in de bast van een oude eik.

Tonke maakt dat ze wegkomt.

10. EEN REUS IN DE TRAILER


Corrado racet door het bos. Tonke spoort hem aan nog sneller te gaan. Algaloppeert de schimmel nog zo hard, toch worden ze door Brammert ingehaald.

Wordt die reus nou nooit eens moe, denkt Tonke. Nadia en Satan zijn nergens meer te bekennen. Satan is het snelste paard van de hele wereld.

Eerst red ik Nadia van de reuzen, denkt Tonke, en

dan pikt ze ook nog eens het snelste paard in. Mooi is

dat.

Ineens voelt Tonke dat Corrado niet meer vooruit­komt. Ze kijkt om en ziet dat Brammert de ruin bij zijn staart vast heeft.

“Schop naar achteren, Corrado,” roept Tonke. Corrado slaat met zijn hoeven in de buik van Brammert en de reus laat zijn staart los.

“Houd nog even vol, Corrado, we zijn bijna bij de manege,” zegt Tonke en de schimmel sprint weer ver­der.

Nog een klein stukje rechtdoor en dan de hoek om.

Dan zijn ze op het bospad naast de manege.

“Zack, Brad, Kelly, Shanna…,” begint Tonke alvast om hulp te roepen.

Met hulp van alle poppen van de manege moet de reus toch wel verjaagd kunnen worden?

Daar racen ze de hoek al om, net voor de grijpgra‑

ge handen van Brammert, die al weer vlak achter hen aan rent.

Precies voor de ingang van de manege stort Corrado van vermoeidheid neer.

Tonke springt van hem af.

“Help ons, help ons,” roept ze.

Zack komt meteen uit de manege aanrennen. Hij springt tegen Brammert op, maar wordt neergeslagen.

Brad komt ook uit de stallen gehold, maar als hij ziet wat er met Zack is gebeurd, rent hij zo snel mogelijk weg. “Ik ga de politie bellen,” roept hij. “Houd stand.”

Ook Shanna, Timmy en Jimmy komen Tonke te hulp.

Gewapend met bezems en vorken komen ze op de reus af, maar hij veegt ze met één zwaai van zijn hand de hooiberg in.

Kelly en Brenda komen nietsvermoedend uit de binnenbak stappen.

Kelly rijdt op Dexter en Brenda op Quickstep.

“Geef mij een paard,” roept Tonke en ze rent naar de meisjes toe. “Die reus wil me vermoorden.”

Zodra Kelly en Brenda Brammert zien, draaien ze hun paarden om. Ze galopperen weg, terug naar de binnenbak.

Tonke staat oog in oog met de reus.

Brammert kijkt haar met glimmende ogen aan. Met zijn grote, donkerrode tong likt hij alvast zijn lippen af.

Tonke ziet zich al aan een spies boven het vuur hangen. Ze moet wat doen!

Ineens krijgt ze een idee.

“Kom maar, Brammert, kom maar lekker met me mee,” zegt ze en ze rent weg.

Tonke heeft gezien dat de trailer nog aan de sport­wagen hangt en dat de klep open is. Ze moet Brammert in de trailer zien te krijgen!

“Brammert. Brammert, lokt Tonke. Ze rent de trailer in en Brammen komt natuurlijk achter haar aan.

Zodra de reus in de trailer staat, springt Tonke er weer uit door het kleine deurtje aan de voorkant. Snel loopt ze om naar achteren en ze gooit de klep dicht.

Brammen zit gevangen in de trailer.

Tonke springt in de sportwagen en rijdt zo snel mogelijk weg.

Ze hoort Brammen in de trailer grommen en brul­len.

Tonke weet precies waar ze heen wil. Ze rijdt naar de parkeerplaats aan de kustweg. Daar waar ze met Kelly heeft staan ruziemaken.

Ze hoort een enorm kabaal uit de trailer komen.

Brammert is helemaal wild geworden! Hij beukt met zijn vuisten tegen de wanden en Tonke ziet de planken stukgaan. Nog even en hij heeft zich bevrijd!

Daar is de parkeerplaats al.

Tonke stuurt de sportwagen erop en rijdt dan ach­teruit, zodat de trailer net voor de afgrond komt te staan.

Nu moet de trailer nog worden losgekoppeld en dan kan ze hem van het klif afduwen.

Tonke stapt uit de auto en begint aan de trekhaak te

sjorren. Weer hoort ze de trailer kraken.

Ineens vliegt er een grote plank uit de zijkant en ze ziet de worstvingers van Brammert naar zich toe komen.

“Ga nou los, ga nou los,” zegt Tonke huilend tegen de trailer.

Daar zeilt een groot stuk hout door de lucht en Tonke ziet de dikke, rode kop van Brammert door het gat in de trailer verschijnen.

De reus opent zijn stinkende mond en laat dreigend zijn rotte tanden zien.

-Fonke verzamelt al haar krachten en trekt de trailer van de trekhaak los. Ze duwt de trailer richting afgrond.

Brammert heeft nu ook zijn andere arm bevrijd.

Hij kijkt Tonke vals aan en strekt zijn beide handen naar haar uit.

Tonke deinst terug, maar net achter haar staat de sportwagen en ze drukt zich tegen de achterkant aan. Brammert spreidt zijn vingers.

Met grote ogen van angst ziet Tonke de grote han­den van Brammert op zich afkomen. Die enorme handen met de gespreide vingers die zich zo meteen om haar nek zullen krommen. Maar ze ziet ook de trailer langzaam naar achteren rijden.

Als zijn vingers zich sluiten, hoort Tonke: pff. Ze sluiten zich in de lucht.

De trailer rolt over de rand van het klif en ver­dwijnt in de afgrond.

Ineens komt Nadia op Satan aangalopperen.

“Ik zag wat er gebeurde,” roept ze opgewonden.

“Dat was op het nippertje, zeg. We hadden graag geholpen, hoor, maar ja, Satan en ik zijn een beetje verdwaald, geloof ik.”

Tonke merkt dat ze weer terug is in haar bed. Ze hijgt en het zweet loopt in straaltjes in haar nek.

Gelukkig, ze leeft nog en die stomme Brammert is er geweest.

De brief van Aafje ligt naast haar op de deken.

Als ze gekalmeerd is, pakt ze hem weer op en leest verder.

Maar het leukste was wel het verhaal van Ellert en Brammert. Dat zijn de reuzen van Drente. Zij hielden een meisje gevangen in hun hol. Het meisje moest voor hen zorgen en hen scheren en zo.

Zij heeft Ellert met het scheermes zijn keel doorge­sneden. Toen kon ze ontsnappen. Brammert is achter haar aan gerend. Maar hij heeft haar niet kunnen pakken. Daarna heeft niemand meer iets van hem gehoord.

Je zou toch door een reus achtervolgd worden! Echt eng, hè? Maar ja, het is maar een Drentse legende.

De rest van de brief leest Tonke vluchtig door.

Aafje schrijft nog over wat ze allemaal gegeten hebben. Hoe vaak ze een ijsje hebben gehad. Welke cadeautjes ze hebben gekregen. Dat ze het jammer vindt dat de vakantie al is afgelopen. En dat ze nog­maals hoopt dat Tonke snel beter is.

Tonke doet haar ogen dicht. Ze is moe van haar avon­turen. Ze zou wel even willen slapen.

Maar dat is haar niet gegund, want Nadia komt bin­nen. Ze zet haar rugzak op de grond en zegt: “Ik heb twee paarden meegenomen en mijn nieuwe donker­bruine pop.”

“Ben je gewond?”

Nadia heeft een grote pleister over haar hand.

“Ik heb me gesneden met mijn vaders scheermes. Stom, hè? Het lag op tafel in de woonkamer. Wie legt het daar nou neer? Het hoort toch in de badkamer? Mijn vader zegt dat hij het nog nooit mee naar bene­den heeft genomen. Mijn moeder denkt dus dat de kaboutertjes het hebben gedaan.”

Tonke fronst haar wenkbrauwen.

“Dus je bent niet zo handig met een scheermes?” “Nee, ik had mezelf bijna om zeep geholpen.” Ineens krijgt Tonke een goed idee. Die stomme

Kelly en Brenda, die haar niet wilden helpen. Ze ver‑

dienen allebei een lesje!

“Ben je wel handig met de schaar?”

Nadia knikt.

“Hoezo?”

Wil jij Kelly”s haar afknippen?”

“Hoe kort?”

“Helemaal kaal.”

Nadia kijkt geschokt.

“Dat vind ik zonde,” zegt ze. “Het is je mooiste pop. Je hebt haar van de klas gekregen! Waarom wil je haar kaal hebben?”

limm. Je hebt gelijk. Ik wacht er nog even mee.

Het leek me wel geinig om er een kale pop bij te heb­ben.”

“Waarom neem je dan Brenda niet? Die mist al een paar plukken.”

“Ik zal er eens goed over denken. Misschien gebruik ik Kelly”s haar om er een pruik voor Brenda van te maken. Of eh, ik maak ze allebei kaal. Zullen we oorlogje spelen?”

Daar heeft Nadia helemaal geen zin in.

“Laten we doen dat Dexter wordt mishandeld.” “Alleen als Kelly dat heeft gedaan,” zegt Tonke. “Oké,” zegt Nadia. Zij is allang blij dat het niet haar

nieuwe pop is.

“En als Zack merkt dat Kelly Dexter mishandelt, dan knipt hij haar kaal,” zegt Tonke.

Nadia haalt haar schouders op. Als Tonke iets in haar hoofd heeft, is het er niet meer uit te rammen.

“Voor mijn part,” zegt Nadia en ze gaat bij de manege zitten. “Hé, de paardentrailer is weg. Waar is de paardentrailer?”

Tonke kijkt verschrikt naar de plaats waar de trailer heeft gestaan. Hij hing toch aan de sportwagen met de klep open? De sportwagen staat netjes naast de stallen, maar de trailer?

“Zonde hoor,” zegt Tonkes moeder en ze komt bin­nenlopen met de trailer in haar hand.

“Hij lag in de tuin, onder je raam, hij is helemaal stuk. Hoe kan die trailer nou uit het raam zijn geval­len?”

Tonke haalt haar schouders op.

“Hoe moet ik dat nou weten?”

Maar er loopt weer een rilling langs haar ruggen­graat.

“Gooi maar gelijk weg, mam, en maak hem vooral niet open,” zegt ze en deze keer doet haar moeder wat ze vraagt, zonder eerst ruzie te maken.