Hoofd versus Hart: Waarom ik doe wat ik doe

In mij huizen twee stromingen die al mijn hele leven stuivertje wisselen. De ene stroming heeft behoefte aan orde, regelmaat en zekerheid; ze past zich aan en volgt wat er gevraagd wordt. Dit noem ik Mijn Hoofd. Het motto is hier: “Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg” of die strenge stem: “Wie denk jij wel dat je bent?” Deze kant zorgt vaak voor druk en zwaarte.

De andere stroming wil creatief zijn, schrijven, theater spelen, gek doen en het podium pakken. Dit is Mijn Hart. Als ik in deze energie zit, ben ik in de flow en voelt alles licht.

Een erfenis van contrasten

Je zou kunnen denken: die behoefte aan zekerheid is mannelijk en komt van mijn vader, en de creatieve kant komt van mijn moeder. Maar zo simpel ligt het niet. Mijn ouders hadden, net als ik, beide kanten in zich.

Mijn vader was houtconstructeur: rustig, weloverwogen en heel rationeel. Ja, hij vertegenwoordigde zeker die eerste stroming van het Hoofd. Maar hij had ook een totaal andere kant. Hij was regisseur van de toneelvereniging op school en een waar poppenkastgenie. Hij kon alle stemmen van Paulus de Boskabouter nadoen – inclusief Eucalypta de heks en Gregorius de das. Als hij sprak, klonk hij precies als Jean Dulieu op de radio. Zijn surprises voor Sinterklaas waren vernuftig en gedurfd, en als hij als Zwarte Piet naast mijn opa (Sinterklaas) stond, was hij zo’n paljas dat Sinterklaas geërgerd zei: “Piet, houd je bek!”

Mijn moeder was juist iemand van “alles in het voren doen”. Als de logées nog aan het ontbijt zaten, hing zij het gewassen beddengoed al buiten. Ze schilde ’s middags al de aardappels voor het avondeten en de gehaktballen werden zo lang gebraden dat ze zwart op tafel kwamen. Orde, regelmaat, elke week hetzelfde programma.

Maar… tijdens dat serieuze huishouden kwam haar Hart naar boven. Tijdens het stofzuigen zong ze de vreemdste liedjes:

“Er zat een vogel op het dak, die kon niet kakken…
Er was een veertje aan zijn poepertje blijven plakken.”

Of ze citeerde moeiteloos complete gedichten uit de bundel van Annie M.G. Schmidt, die ze volledig uit haar hoofd kende:

“Dit is de spin Sebastiaan.
Het is niét goed met hem gegaan.
Luister!

De strijd tussen de stromingen komt dus van beide kanten, of mijn ziel heeft ze gewoon allebei meegenomen om het me lekker moeilijk te maken. Beide stromingen hebben mijn levenskeuzes bepaald en de vraag is nog steeds wie er aan de winnende hand is.

Deel 1: Lerares Maatschappijleer of Docent Drama?

1977 – De strijd begint Mijn Hoofd koos voor zekerheid. In 1977 werd ik aangesteld als lerares maatschappijleer aan de J.C. de Rijpschool in Amsterdam-Noord. Ik had een aanstelling van 28 lesuren plus 2 taakuren in klassen 2, 3 en 4 van de LEAO. Een ‘volledige’ baan was toen 29 uur; ik had dus zelfs meer dan dat.

Het was zwaar. Ik moest lesgeven in het winkelpraktijklokaal, waar leerlingen constant werden afgeleid door inpakproducten en flesjes. Ik maakte mijn eigen lesprogramma’s, stond uren te wachten bij de conciërge tot de stencils uit de kopieermachine rolden, en leerlingen bleven verdacht lang weg als ze naar de wc moesten. Voor mij – zelf een keurige HBS-leerling – viel er veel te leren over orde houden.

Slechte timing? Maar mijn Hart wilde ook wat. Precies in datzelfde jaar (1977-1978) had ik me opgegeven voor de parttime opleiding ‘Docent Dramatische Vorming’ aan de Theaterschool Amsterdam. Ik herinner me de auditie nog goed. De opdracht was: bedenk een toneelstukje over ‘every day life’ met een belangrijke rol voor een stoel. Dat was een makkie voor mij.

Ik speelde een perpetuum mobile: Ik stond op van de stoel, ging naar het werk, kwam thuis, ging naar bed. En opnieuw: opstaan, werken, slapen. Mijn uitbeelding van de sleur werd gewaardeerd en ik werd aangenomen. De opleiding was in die tijd volop in ontwikkeling (opgericht in 1977 als deeltijdvariant voor werkende professionals) en er was een groot tekort aan dramadocenten.

Toch won het Hoofd deze ronde. Na de kerstvakantie stopte ik met de opleiding. De combinatie van een overvolle baan in het onderwijs én de weekenden op de Theaterschool was een mission impossible. Ik kon mijn hoofd nauwelijks boven water houden.

Achteraf denk ik wel eens: hoe was mijn leven gelopen als ik die opleiding wél had afgemaakt? Zeker is dat ik drama veel leuker vond dan maatschappijleer. Toch heb ik het 13 jaar volgehouden: eerst drie jaar in Amsterdam-Noord, daarna tien jaar in Laren op een katholieke school met een non als directrice.

Deel 2: Kinderboeken schrijven – Een uitlaatklep

In 1981 stierf mijn moeder. Ze werd begraven op mijn verjaardag. Ze had een vreselijk ziekbed gehad door een kankergezwel in haar ruggenmerg, wat leidde tot verlamming. Bestralingen hielpen niet meer. Die gebeurtenis hakte erin. Ik dacht: “Als je op zo’n vreselijke manier aan je einde kunt komen, dan mag het leven wel de moeite waard zijn geweest. Ik wil later niet terugkijken op tig bankstellen en luxe vakanties, maar op iets dat er toe doet.”

Mijn Hart greep de macht: ik begon met schrijven.

In 1985 kwamen mijn eerste twee boekjes uit. Eén in opdracht van Uniepers (De familie Wijntak, over een Surinaamse jongen) en één eigen werk bij Zwijsen: Allemaal smoesjes. Dat laatste ging over een meisje dat buikpijn kreeg omdat ze haar emoties niet kon uiten. Dat was ik natuurlijk zelf! Het schrijven werd mijn therapie; emoties die ik jaren had ingehouden, vonden via mijn personages een weg naar buiten.

In 1990 vond ik mijn ware thema: paarden. Mijn eerste ponyboek Strijd om een pony verscheen. Al mijn ervaringen op de manege – vallen, opstaan, gebroken armen, gaten in scheenbenen én de dagdromen over galopperen op het strand – kwamen nu van pas. In tien jaar tijd schreef ik 26 titels, waarvan 20 over paarden.

Het podium riep ook weer. Tijdens de Kinderboekenweken reisde ik het hele land door. Ik ontwikkelde een eigen programma met een Paardenrap. Ik speelde keyboard, voerde het tempo steeds verder op en de kinderen riepen het laatste woord van elke zin.

Deel 3: De magie van de Paardenbeurzen

Sommige momenten blijven je hele leven bij je. Voor mij waren dat de paardenbeurzen in de Jaarbeurs Utrecht. Daar zag ik hoe shows, muziek en paarden samen pure magie werden.

Vanaf Paard 94 was ik erbij. Ik zag daar The Future Guys: stunts met snelle paarden, ruiters zonder cap die acrobatisch van en op het paard sprongen. Maar wat me het diepst raakte, was de sfeer. Ik herinner me een show van het Tinkerstamboek: het was donker, ruiters droegen mysterieuze kappen en toortsen, en er klonk Ierse, Keltisch aandoende muziek. Het voelde als een film, een sprookje. Die muziek zoek ik nog steeds. Ook de demonstraties met Arabische paarden – gesluierde vrouwen, gracieuze bewegingen – namen me mee naar een andere wereld.

Die inspiratie leidde tot mijn boek In het paradijs gevangen, over een meisje dat in zo’n betoverende, maar ook beklemmende wereld belandt. Van 1995 tot en met 2000 stond ik zelf met een stand op de beurs. Vaak nam een vriendin de honneurs waar zodat ik naar de shows kon kijken.

Het verschil tussen techniek en magie In 1998 verhuisde ik naar een boerderij in Drenthe (Elim). Ik bezocht veel evenementen: de Spaanse Rijschool in Ahoy en demonstraties van grootheden als Emiel Voest (lichaamstaal), Klaus Ferdinand Hempfling (uitstraling) en Monty Roberts (Join-Up). Vanaf 2008 stond ik op PAARD Hardenberg met onze logeerboerderij ‘Hippago’. Daar viel me iets op. Ik zag een Tinkerhengst die technisch perfect door een brandende hoepel sprong. Het was knap, maar het paard deed het zonder enige spanning. Het boeide hem gewoon niet en daardoor voelde het publiek ook niets. Toen realiseerde ik me: Je kunt een paard veel leren, maar voor een echte show is meer nodig — licht, muziek en een verhaal.

Deel 4: Op pad naar Sterrenstad – De droom die bleef hangen

Zo’n 15 jaar geleden wilde ik die magie zelf maken. Samen met Marjolijn Kylstra en haar pony Pepe ontwikkelde ik de show Op pad naar Sterrenstad. Het verhaal ging over een clown en een pony die auditie deden bij een diva.

We oefenden in Rhenen. Pepe kon alles: steigeren, ja-knikken, rekenen. De try-out in een lokale manege was fantastisch!

We waren er klaar voor: een echte voorstelling in Theater De Tamboer in Hoogeveen voor 200 kinderen. Alles was geregeld. En toen… werd Pepe ziek op de ochtend van de voorstelling. Ik moest die 200 kinderen alleen vermaken met mijn oude ‘schoolprogramma’ van voorlezen en rappen. Het ging goed, maar het kostte me bakken met energie. Het was “werk”, geen magie.

Door de langdurige ziekte van de pony, de drukte van alledag en het verwateren van het contact is de show nooit meer opgevoerd. Maar het idee bleef in mijn hoofd hangen.

Deel 5: De Zorgboerderij – Het Hoofd neemt over

Ondertussen werd onze boerderij steeds drukker. We kregen ponykampen, trainingsweekends en… zorgcliënten. Wat begon met één meisje met een PGB, groeide uit tot een zorgboerderij. Toen in 2015 de jeugdzorg naar de gemeentes ging, veranderde mijn wereld. Ik kwam terecht in een moeras van Europese aanbestedingen, zorgplannen en beveiligd berichtenverkeer.

Mijn werkdag werd weer die van 1977: opstaan, werken (formulieren invullen), slapen. De “zorg” was altijd serieus en daardoor zwaar. Verantwoordelijkheden, plichten, controles, meer regels… De druk van het Hoofd was verstikkend.

Deel 6: De ommekeer – Bloop & Barry

Eind 2024 nam ik een besluit: ik ga weer dingen doen waar ik blij van word. Ik besloot een e-learning Vrijheidsdressuur te maken. Maar niet zomaar één met droge instructies. Ik wilde elk kunstje verpakken in een verhaaltje, in een show. De magie die ik miste bij de technische trainers, wilde ik zelf toevoegen.

Maar ik ben geen Lorenzo de Flying Frenchman of Frédéric Pignon of Sylvie Willems (Tip! zoek deze sterren op YouTube en geniet van hun talent). Ik ben een amateur met een passie. En toen zag ik het licht: We hoeven niet naar het theater. We kunnen de show gewoon thuis opnemen! Geen trailers, geen stress, geen parkeerproblemen. Gewoon op ons eigen erf, met onze eigen camera’s. En het mooiste: als het mislukt, doen we het gewoon opnieuw. Met filmmagie en editing (en een beetje AI) kunnen we alles maken wat we willen.

Het idee voor Vrijheidsdressuur & Filmmagie: maak van je pony een moviestar was geboren.

De cast
Ik stofte mijn minipaardje Rebby af. Hij was niets vergeten en vond het fantastisch! Om naast hem wat kleurrijker af te steken, kocht ik een confetti-jasje, een pruik (‘Koloniale Vrouw Ivoor’) en een paarse vlinderbril. Ik werd Bloop. Rebby werd Barry. Samen met mijn man Martin, die het editen herontdekte, namen we in de zomer van 2025 twaalf shows op.

Alle opnames waren in de volle zon, vaak bij 30 graden, maar de energie voelde licht. Ik was aan het regisseren, acteren en creëren.

Mijn Hoofd heeft de administratie gedaan, maar mijn Hart heeft eindelijk weer de leiding. Met deze cursus en de toekomstige Bloop & Barry Club (start 2026) komen alle lijntjes uit mijn leven samen: de lerares, de schrijfster, de theatermaker en het paardenmeisje.

Welkom in mijn wereld!.