1. Dubbel vierkant
De 4 pionnen van het kleinste vierkant staan 2,5 meter vanaf de X naar de letters A, E, C en B.
De 4 pionnen van het grootste vierkant staan 5 meter vanaf de X naar de letters A, E, C en B
De bedoeling van het rijden van deze oefening is rechte lijnen te rijden gevolgd door scherpe (90 graden) wendingen. De afstand tot de pionnen dient steeds zo’n 25 centimeter te bedragen.

In stap
Het paard stapt op de rechterhand vanaf de buitenzijde van de eerste pion (het dichts bij de B) van het grootste vierkant naar de volgende pionnen van hetzelfde vierkant.
Vervolgens wordt aan de binnenkant van de pionnen van hetzelfde vierkant gestapt.
Daarna wordt aan de buitenkant van het kleine vierkant gestapt en tot slot aan de binnenkant van het kleine vierkant.
Na het laatste vierkant verander je ergens in de bak van hand, kom je weer terug bij de B en doe je dezelfde oefening op de linkerhand.

In draf
Bovenstaande stapoefening kan ook in draf worden gereden rondom het grootste vierkant. De draf dient zo verzameld mogelijk te worden gereden.

2. Draaimolen
Plaats 6 pionnen (eventueel met nummers erop) op de AC-lijn vanaf de C tot de X op ongeveer 3 meter van elkaar.
De bedoeling van het rijden van deze oefening is steeds kleiner wordende cirkels te rijden met de juiste stelling en buiging.

De oefening wordt eerst gedaan in stap, op de rechterhand en vervolgens in stap op de linkerhand. Daarna in draf op beide handen. Tot slot in galop op beide handen. De diameter van de kleinst mogelijke cirkel bedraagt slechts 3 meter. De cirkel zal slechts in stap te rijden zijn. Je stopt met het maken van kleinere cirkels als de juiste stelling en buiging niet meer aan te vragen zijn.

Startpunt is de C. De eerste cirkel wordt gereden achter pion 6 langs, waardoor je dus eigenlijk een iets te grote volte C-X-C rijdt. Daarna richt je je vanaf de C op de ruimte tussen de pionnen 5 en 6. Deze keer rijd je dus een volte van ongeveer 15 meter. Je schuift bij elke nieuwe cirkel een pion terug totdat jij en je paard niet kleiner kunnen (met een jong paard kan dat al snel zijn, forceer niets!). Na de kleinst mogelijke cirkel (dan ga je dus tussen pion 1 en 2 door) verander je van hand op je eigen manier en doe je dezelfde oefening op de andere hand.

3. Slalom
Verdeel 11 pionnen over de AC-lijn vanaf ongeveer 3 meter van de C tot ongeveer 3 meter van de A. De bedoeling van het rijden van deze oefening is te slalommen tussen de pionnen. De lussen worden zo groot mogelijk gemaakt (je rijdt door tot bijna bij de hoefslag voordat je de lus terug maakt) en je rijdt de lussen met de juiste stelling en buiging.

De oefening wordt eerst gedaan in stap, op de rechterhand en vervolgens in stap op de linkerhand. Daarna in draf op beide handen. Startpunt is de C. Je rijdt op de rechterhand en rijdt aan het eind van de korte zijde een lus naar rechts. Je stapt tussen de twee eerste pionnen door en rijdt door naar de hoefslag. Net voor de hoefslag rijd je een lus naar links etc. etc.

Heb je alle pionnen gehad, dan ben je aangekomen bij de A op de rechterhand. Bij de E draaf je aan en dan doe je dezelfde oefening in draf.

De galopoefening met deze opstelling van pionnen is geen slalom, maar een verspringende grote volte. Je begint op de rechterhand bij de C in galop en rijdt een grote volte om een rij van 5 pionnen. Je maakt de grote volte niet helemaal af tot de C, maar galoppeert tussen de eerste en tweede pion door en rijdt een grote volte om een rij van 5 pionnen. Je bent dus een pion opgeschoven. Je galoppeert door totdat je tussen de laatste twee pionnen – dichtbij de A – bent gegaloppeerd. Dan maak je een overgang naar de draf en je verandert op je eigen manier van hand. Bij de C galoppeer je links aan en je rijdt de voltes in spiegelbeeld van de galop rechts.

4. Passen tellen
2 pionnen markeren een rechte lijn van ongeveer 25 meter net naast een lange zijde van de hoefslag.

Stap:
Je stapt in arbeidsstap van pion 1 naar pion 2 en telt het aantal passen dat je paard maakt. Ben je een ronde verder, dan stap je weer van pion 1 naar pion 2 met de opdracht een pas meer te maken dan de vorige keer. De passen van je paard moeten dus korter zijn dan de eerste keer! Dit verkorten van de stap doe je tweemaal achter elkaar, waarbij je de tweede keer weer probeert een pas meer te maken. Na twee keer verkorten stap je van pion 1 naar pion 2 met de opdracht een pas minder te maken dan de eerste keer. De passen van je paard moeten dus ruimer zijn dan de eerste keer. Dit verruimen van de stap doe je tweemaal achter elkaar, waarbij je de tweede keer weer probeert een pas minder te maken. Doe dezelfde oefening op de andere hand.

Draf:
Je draaft in arbeidsdraf van pion 1 naar pion 2 en telt het aantal passen dat je paard maakt. Ben je een ronde verder, dan draaf je weer van pion 1 naar pion 2 met de opdracht een pas meer te maken dan de vorige keer. De passen van je paard moeten dus korter zijn dan de eerste keer! Dit verkorten van de draf doe je tweemaal achter elkaar, waarbij je de tweede keer weer probeert een pas meer te maken. Ga bij deze oefening liefst doorzitten zodat je je paard echt een beetje kan verzamelen. Na twee keer verkorten draaf je van pion 1 naar pion 2 met de opdracht een pas minder te maken dan de eerste keer. De passen van je paard moeten dus ruimer zijn dan de eerste keer. Dit verruimen van de draf doe je tweemaal achter elkaar, waarbij je de tweede keer weer probeert een pas minder te maken. Doe dezelfde oefening op de andere hand.

Galop:
Je galoppeert in arbeidsgalop van pion 1 naar pion 2 en telt het aantal sprongen dat je paard maakt. Ben je een ronde verder, dan galoppeer je weer van pion 1 naar pion 2 met de opdracht een sprong meer te maken dan de vorige keer. De sprongen van je paard moeten dus korter zijn dan de eerste keer! Dit verkorten van de galop doe je tweemaal achter elkaar, waarbij je de tweede keer weer probeert een sprong meer te maken.
Na twee keer verkorten galoppeer je van pion 1 naar pion 2 met de opdracht een sprong minder te maken dan de eerste keer. De sprongen van je paard moeten dus ruimer zijn dan de eerste keer. Dit verruimen van de galop doe je tweemaal achter elkaar, waarbij je de tweede keer weer probeert een sprong minder te maken. Doe dezelfde oefening op de andere hand.